durieux's blog

Slavoj Žižek en de fundamentalisten

Na de moordpartij bij Charlie Hebdo heeft ook de Sloveense filosoof Slavoj Žižek zijn licht laten schijnen op de verhouding tussen L’islam e la modernità. Het boekje (pamflet) kreeg als ondertitel Riflessioni blasfeme, maar dat godslasterlijke valt nogal mee.

Žižek  is zeker niet de enige die zich vandaag verzet tegen de opvatting dat het ‘moslimfundamentalisme’ gewoon een dogmatische lezing is van de voorschriften uit de koran. Immers, ook wat vandaag beschouwd wordt als een ‘dogmatische’ benadering, is de vrucht van culturele, politieke en sociale contingentie. Met ander woorden, de ‘dogmatische’ koraninterpretatie van vandaag is een uitdrukking van de hedendaagse tijdgeest.

Islamfundamentalisme moet volgens hem begrepen worden als een reactie op de processen van globalisering en de culturele, politieke en sociale transformaties die daardoor veroorzaakt zijn. Dan gaat het vooral om de mislukking van de ‘modernisering’ in de ex-kolonies, en het failliet van de liberale multiculturele samenlevingen in het Westen. In Afrika en de Arabische landen leidt dat tot een reactie tegen het Europese en VSAmerikaanse kapitalisme; in Europa tot een crisis van de sociale integratiemechanismen. Voor  Žižek is het ‘moslimfundamentalisme’ dan ook een wezenlijk onderdeel van de globaliseringsmechanismen die het dictaat van de markteconomie wereldwijd willen opleggen. (Denk Foucault: macht en verzet constitueren elkaar.) Als politiek project is het namelijk een poging om zelf vorm te geven aan die globalisering, zonder deze als principe in vraag te stellen. In die zin doen fundamentalistische bewegingen niet meer of niet minder dan een deel opeisen van de wereldwijde koek van natuurlijke en geproduceerde rijkdommen. Niet een tegenstander van het wereldwijde kapitalisme, maar een protagonist, in concurrentie met vele andere.

Dat kan ik allemaal volgen, maar dan gaat Žižek enigszins uit de bocht, lijkt mij. Voor hem zijn de verschillende vormen van moslimfundamentalisme enerzijds en het liberale multiculturalisme anderzijds twee kanten van dezelfde medaille van onderdrukking. Dat het multiculturele liberalisme een vorm van “wereldomvattende kapitalistische zelfkolonisatie” is, en de ideologie van de mensenrechten vooral een instrument voor de instandhouding van de kapitalistische status quo, is een van zijn stokpaardjes. Voor de gemakkelijkheid vergeet hij dan echter wel dat, hoe onvolkomen dat multiculturalisme en die mensenrechten ook zijn, zij tenminste het principe erkennen van kritisch denken over de productie en de verdeling van die globale rijkdom. Sterker nog: als het moslimfundamentalisme een uiting is van de strijd om de wereldwijde koek, dan is het juist in liberale samenlevingen dat de mogelijkheid bestaat om een kritisch vertoog en maatschappelijke alternatieven te ontwikkelen die ingaan tegen onderdrukking en de private toe-eigening van rijkdom. In die zin laat de “repressieve tolerantie van het multiculturele liberalisme” (Žižek) tenminste nog de mogelijkheid open om te denken over alternatieven, vrijheid en culturele – zelfs religieuze – diversiteit.

Voetbal!

Nu voetbal weer eens volop in de aandacht staat in de media (de opvolging van Sepp Blatter, de wijze waarop Qatar een of ander wereldkampioenschap binnenhaalde, betwist management in de Belgische voetbalbond, …) is het misschien goed tegenover al dit negatiefs eens een positief alternatief te plaatsen. Bijvoorbeeld de twaalf regels om een zwart-en-rood voetbaltornooi te organiseren.

  1. Alle gewone regels van het voetbal gelden, behalve wanneer uitzonderingen overeengekomen worden.
  2. Alle regels die tijdens het tornooi gelden kunnen gewijzigd worden tijdens de dagelijkse algemene vergadering van de ploegafgevaardigden.
  3. Gedurende een wedstrijd heeft elke ploeg even veel spelers. Het aantal is afhankelijk van de grootte van het terrein (in zaal, of op het strand, of in een stadion …) of kan overeengekomen worden voor de wedstrijd in onderling overleg tussen de ploegen en de scheidsrechter.
  4. De ploegen zijn gemengd, maar alle spelers van een zelfde ploeg dragen een truitje of een ander kenmerk dat hen onderscheidt van de andere ploeg.
  5. Gedurende de wedstrijd kunnen onbeperkt spelers vervangen worden, maar spelers mogen niet van ploeg wisselen.
  6. De buitenspelregel kan opgeheven worden, afhankelijk van de grootte van het terrein, of na onderling overleg tussen de ploegen en de scheidsrechter vóór de wedstrijd.
  7. Elke vrijwillige overtreding wordt gestraft met een strafschop, gelijk waar op het terrein de overtreding plaatsvond.
  8. Gevaarlijk spel, spelbederf of verbale agressie wordt gestraft met onmiddellijke uitsluiting uit de wedstrijd, of zelfs uit het tornooi, indien de algemene vergadering dat besluit. Een tackle wordt beschouwd als gevaarlijk spel.
  9. Spelhervattingen kunnen gebeuren met de voeten of met de handen, afhankelijk van hoe voor de wedstrijd is afgesproken.
  10. De duur van de wedstrijden wordt vastgesteld aan het begin van het tornooi (2x45 minuten, of 2x20, of 3x12, mogelijkheden zat). Twee ploegen kunnen ook voorafgaand aan hun wedstrijd, in overleg met de scheidsrechter, hierop een uitzondering maken.
  11. De scheidsrechter wordt gezamenlijk door de twee ploegen gekozen. Hij/zij is de enige die tijdens de match de regels kan doen toepassen. Alleen op verzoek van de twee ploegen kan de arbiter tijdens de match vervangen worden. De scheidsrechter heeft geen macht; zijn/haar functie is te bemiddelen tussen de ploegen om de vrijwillig overeengekomen spelregels te handhaven.
  12. Die ploegt ‘wint’, die het meeste doelpunten of het mooiste doelpunt heeft gescoord. Die keuze moet voor het begin van de wedstrijd gemaakt worden. Maar uiteindelijk is er geen ‘winnaar’ of ‘verliezer’, en dus ook geen eindklassement.

Deze regels zijn geïnspireerd op Les douze règles pour organiser un tournoi international de foot noir et rouge, gepubliceerd in Le monde libertaire.

 

Trafficking as a criminal enterprise

“One should make a distinction between trafficking and exploitation. But of course, you do not traffic human beings if you do not intend to exploit them. And then, prosecution of exploitation is rare. You have to provide proofs; the conditions to be acknowledged as a victim of human trafficking are quite strict, and require the victim’s collaboration. But even when a dossier is really well elaborated, with proofs of human trafficking and exploitation, it is extremely difficult in Belgium to have someone condemned. It happens, but the cases are rare. And even then, prison sentences are very low. So yes, making penalties harsher might have a dissuasive effect. But I think you have to hit where it hurts, and that is in their wallet. For many of these traffickers, prison is not a threat; what they fear is the confiscation of their wealth. I have for instance reported on a filière of Turkish people who were exploited in a network of Turkish bakeries. They were in an illegal situation, they had no documents, they were lodged inside the bakeries, they slept on the floor, and they were here since three years. At a certain moment the manager of the bakeries was arrested, and it appeared he worked for an organisation in Turkey. So when he was arrested, his main concerns were: shall my buildings, my cars, my accounts be confiscated? That was what bothered him, but spending some time in prison? No.

It would help if it would be possible to confiscate possessions in the countries of origin. For instance, there is a convention between Belgium and Romania that would allow that, but one doesn’t recall to it, and – I have been there – in Romania the people who traffic and exploit these young Romanian beggars and burglars, they live in villas of one or two million euro, they drive a Porsche or Ferrari, so if you could touch them there, I think that might help.

In the confection system, the same. I have been present at police raids on illegal confection ateliers in Brussels. It was hallucinating. The police had the keys to the atelier; they said ‘Well, we come over here every two months’. We got into the atelier, and there were about thirty workers, Syrians, Iraqi, Jordanian, … They were all in Belgium without permit. There were sewing machines, and there were clothes that were finished. The police took the clothes, and they were all carrying logos of brands and shops in the Rue Neuve in Brussels. These shops and brands do not order their confection to the illegal ateliers, but for instance in the sales periods, they might realise that they are missing a thousand jeans or a thousand t-shirts. So they go see a manager whom they know is able to provide them with thousand jeans at a low price and in a very short period of time. That manager is absolutely regular: registered at the Chamber of Commerce, with a vat-number, etc. The manager will make them a price, one at the level of Vietnam or Laos. The people of the large chains and brands know of course how comes this man is able to offer a price of 80% below the market price. But as long as they themselves do not get involved in the production itself, they will not be prosecuted. ‘Was he using clandestine workers in an illegal atelier? How could I know that?’ So the only person who can be prosecuted is the fraudulent manager. Now that manager will go bankrupt. I don’t know how the situation is now, but when I was investigating on this, there were 4000 bankruptcies a year in Brussels and one magistrate to investigate them. At the raid, police told me ‘We don’t need to register the numbers of the sewing machines; we have already seen them so many times’. So the clandestine workers are expelled, the manager will go bankrupt and one won’t be able to recuperate values, the authorities are going to publicly sell the sewing machines, the organisation will buy them again via another straw man, and the police tell me: ‘In two months we will come back here, we will open the door with the key, and we will find the same sewing machines, etc.’. As long as we cannot prosecute the bidders, the ones who order goods at prices of which they know it is impossible to produce legally, as long as you cannot touch them in their wallet, there will come no end to labour exploitation.

But as long there is a demand on the market for these cheap products that are made in exploitation, there will be an offer. So it’s not just a matter of the offer, there’s also the demand side.

Yes, that’s true. As long as there is a demand for arms or for drugs, there will be an offer of arms or drugs. That’s a social question and one of education. But my concern is that there are unsufficient means to tackle the exploitation at the side of the offer. It is only when we will be able to touch the organisers in the home countries in their wallet, to be able to confiscate their houses or their Ferrari, that we will be able to hurt them.”

This is an excerpt of an interview I conducted in French with Frédéric Loore, a journalist at the Brussels desk of Paris Match. For years he has been investigating and reporting trafficking of human beings with the intent of labour exploitation. The translation was made as a contribution to the European research project TRACE – Trafficking as a criminal enterprise. I further collaborated on a criminological work package in that project, containing macro and micro analyses of human trafficking.

Frédéric Loore has also published Marque ou crève, about the trade in young African football players.

Stopper l'immigration

Le secrétaire d’état à l’Asile et à la Migration, Theo Francken, doutait de la ‘valeur ajoutée’ de l’immigration marocaine, congolaise ou algérienne, écrivit-il sur facebook. Un peu mou, quand-même. Qu’il prenne exemple à Victor Orban, le premier ministre hongrois. Selon celui-ci, toute immigration en Europe devrait cesser.

« Nous ne devrions pas faire comme si l'immigration économique avait une quelconque utilité, parce qu'elle ne fait qu'importer des troubles et des menaces contre les peuples européens. Par conséquent, l'immigration doit être stoppée.» C’est ce qu’il a déclaré à la télévision hongroise après son retour de la ‘manifestation républicaine’ à Paris.  « La Hongrie ne deviendra pas une destination visée par les immigrants. Nous ne le permettrons pas, du moins tant que je serai premier ministre et que ce gouvernement sera au pouvoir. Nous ne voulons pas voir une minorité significative aux caractères et au passé culturels différents. Nous voulons que la Hongrie reste la Hongrie », a poursuivi Orban. Au moins les Rom hongrois savent déjà depuis longtemps ce que cela signifie.

Hé Francken, va un peu voir ton collègue à Budapest. Qu’est-ce que tu comptes faire pour que la Flandre reste la Flandre ? N’est-il pas grand temps de fermer à clé l’Europe en général et la Flandre en particulier ? Tu pourrais prendre comme premier objectif les bons résultats hongrois : selon l’OECD, en 2011 les migrants internationaux ne représentaient que 2% de la population hongroise.

 

Kan het misschien wat rustiger?

Je suis Charlie, OK, geen probleem, zie hieronder.

Maar er zijn toch grenzen, lijkt mij. En als die te vaak en/of te ver overschreden worden, verliest die Je suis Charlie ook aan waarde en betekenis.

Neem nu de foto in de kranten vandaag van de manifestatie in Parijs van afgelopen zaterdag. Wie lopen daar op de eerste rij? De massamoordenaar Netanyahu, die er alles aan gelegen is dat de Palestijnen de mond gesnoerd wordt in internationale organisaties. Of de Italiaanse premier Matteo Renzi, die als overtuigde neo-liberale sociaaldemocraat de perssteun aan coöperaties zodanig wil afbouwen dat de laatste resterende linkse krant in Italië, il manifesto, dreigt te verdwijnen. Samen op de bres voor de vrijheid van meningsuiting. Met zo’n vrienden heb je geen vijanden meer nodig, wordt er dan gezegd.

Of neem een anderszins verstandige organisatie als Sauvons l’Europe. In een soort hysterie roepen zij nu op om aan Charlie Hebdo een bijzondere Sakharov-prijs voor de vrijheid van meningsuiting toe te kennen. Le Prix Sakharov pour la liberté d’expression est décerné au nom de l’Europe pour honorer les défenseurs de la liberté de pensée. Nous proposons qu’un Prix Sakharov exceptionnel soit attribué à Charlie Hebdo par le Parlement européen. Sakharov èn Wolinksi zouden zich omdraaien in hun graf.

Vrije vertaling : het is goed ook achter je te kijken, met zoveel nieuwe verdedigers van satire en vrijheid.

 

Charlie

De moordaanslag op Charlie Hebdo komt hard aan. Niet alleen vanwege de politieke reikwijdte, maar ook omdat verschillende van de gedode tekenaars al meer dan veertig jaar in mijn culturele bagage zitten.

Zodra ik naar de universiteit ging, ging ik op zoek naar alles wat de waarden die ik thuis en op school had meegekregen kon ondergraven. En meer nog dan Amsterdam of Londen, was Parijs toen voor mij de plek waar spannende dingen gebeurden. Zo leerde ik in het begin van de jaren zeventig Hara Kiri kennen, journal bête et méchant zoals het zich noemde. Ik ontdekte tekenaars als Wolinski, Cavanna (die ook verhalen schreef), Cabu (de zachtste en meest pacifistische van allemaal), Willem (de Nederlander die, hoewel hij al veertig jaar in Parijs woont, vandaag nog steeds spelfouten cultiveert in zijn tekeningen), Reiser en vele anderen.

 

De humor van Hara Kiri was inderdaad vaak lelijk, grof en provocerend, maar dat hoorde bij de tijdgeest, en het was daarom niet minder grappig. Ik herinner mij een nepadvertentie voor formicatafels: een onaantrekkelijk stel dat zijn onderbroek optrekt, in een armtierige keuken met een formicatafel, en daarbij de tekst: ‘Un coup d’éponge, et c’est essuyé’. Een beetje van de sfeer van Hara Kiri is vandaag nog terug te vinden in het maandblad L’echo des savanes (tekeningen, satire, viezigheid, seks en een vleugje politiek).

Nadat Hara Kiri verboden was, heb ik jarenlang – tot aan het einde in 1986 – een abonnement gehad op Charlie mensuel. Dat was eigenlijk vooral een maandblad over en met stripverhalen, met opnieuw Willem, Cabu, Wolinski, Reiser, Cavanna, maar nu ook Siné en verder maandelijkse rubrieken over o.m. Arabische muziek en koken (uit Charlie mensuel heb ik ossenstaart leren klaarmaken).

Het weekblad Charlie Hebdo kocht ik de afgelopen jaren nog slechts onregelmatig. Wat opviel was dat er nu ook volop ruimte was voor ernstige politieke bijdragen (hoewel vaak kort, en soms met zo’n hoge graad van absurditeit, dat je je afvroeg of het satire was of dat het ging over absurd beleid). Charlie Hebdo maakte brandhout van alle godsdiensten (zeker niet alleen van de islam) èn van het Front national. (In die zin is het ook weer ironisch dat Marine Le Pen maar al te graag zaterdag 10 januari mee zou opstappen in de grote marche républicaine pour l’unité nationale waartoe president Hollande heeft opgeroepen. )

Dat Charlie Hebdo zich tegen fascisten, nationalisten en godsdienstwaanzinnigen keerde, betekent anderzijds nu ook weer niet dat het zich situeerde alla sinistra della sinistra, zoals il manifesto schreef. Le Grand Soir – Journal Militant d’Information Alternative ging er op 19 mei 2014 nog zo tegenaan: « Au fil des ans, Charlie Hebdo est devenu un journal pipi-caca-crotte (et proutt), une sorte de feuille de lycée écrite par des potaches pour provoquer le proviseur, pour horrifier les pucelles en dessinant des bites à foison et pour exciter les boutonneux en gribouillant des foufounettes. A mesure que le vide idéologique s’installait, concomitant d’un glissement vers la droite (les deux vont toujours de pair), on s’était éloigné de cet hebdo. En souriant avec indulgence car, nous aussi, plus jeunes, on aimait provoquer les vieux et les bourgeois. »

Maar journal pipi-caca-crotte of niet, moi aussi, je suis Charlie.

 

Bed, bad en brood 2

NRC Handelsblad meldt vandaag dat ook de nationale overheid zelf opvang moet regelen voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Ik neem snel die tekst grotendeels over.

 

Gisteren bepaalde de rechtbank in Utrecht in twee zaken van mensen zonder een verblijfsstatus dat staatssecretaris Fred Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) moet voorzien in nachtopvang, een douche, ontbijt en een avondmaal. Nadat de rechter vorige week gemeenten al had gedwongen om ‘bed, bad en brood’ te bieden, geldt die verplichting nu dus ook voor het Rijk. Daarmee sluit het juridische net zich verder rond het kabinet.

Uitzonderlijk is dat de rechtbank in beide gevallen „gelet op de omstandigheid dat het winter is” een voorlopige voorziening heeft getroffen. De staatssecretaris moet vanaf vandaag voorzien in opvang. Dat noemt de rechter een „noodmaatregel”. Volgens staatssecretaris Teeven is opvang al mogelijk voor mensen zonder verblijfspapieren, als zij maar meewerken aan terugkeer. Die voorwaarde mag de staat volgens de rechter niet handhaven: „Er rust een positieve verplichting op de staat om onderdak, eten en kleding te verstrekken.” Als die opvang uitblijft, schendt de staat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR), dat in november bepaalde dat Nederland internationale rechten schendt door geen opvang te bieden. Het kabinet wacht met een besluit op het oordeel van het Comité van Ministers, dat in het voorjaar van 2015 wordt verwacht. Alleen de staat heeft volgens de rechtbank „niet gemotiveerd waarom aan de gezaghebbende beslissing van het ECSR voorbij kan worden gegaan”.

Inmiddels is niet duidelijk welke overheid (de staat of de gemeenten) uiteindelijk die opvang van mensen zonder papieren zal moeten uitvoeren. „De staat had steeds principiële redenen om opvang af te wijzen, de gemeenten vooral financiële”, zegt de advocaat van de twee eisende partijen. Maar volgens de Vereniging Nederlandse Gemeenten ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij het Rijk. „Het Rijk slaagt er door de weerbarstigheid van de problematiek niet in om een aanzienlijk deel van de uitprocedeerden het land tijdig te laten verlaten.”

Dat laatste speelt ook in België. Je kan als overheid of politieke partij wel roepen dat die mensen zonder geldige verblijfsvergunning eruit moeten, maar als niet duidelijk is waar ze naartoe moeten, ben je er wel verantwoordelijk voor. En dat is overigens niet alleen een kwestie van het recht op eerbiediging van het recht op gezinsleven, maar ook van elementair menselijk fatsoen. De ingezonden bijdrage van Yannick Roels in de Standaard van vandaag vertrok van een ander uitgangspunt, maar de kop die de krant erboven geplaatst had, geldt ook voor het recht op ‘bed, bad en brood’: ‘Iedereen moet ‘mogen zijn’.

 

Bed, bad en brood

Een week beleden besliste de Centrale Raad van Beroep dat de gemeente Amsterdam onmiddellijk nachtopvang, douche, ontbijt en een avondmaaltijd moet bieden aan vreemdelingen zonder verblijfspapieren. De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechterlijke macht in Nederland in bestuursrechtelijke geschillen op het gebied van sociale zekerheid, bijstand en ambtenarenrecht. De uitspraak geldt niet alleen voor de gemeente Amsterdam, maar voor alle Nederlandse gemeenten. De uitspraak is in lijn met een eerdere uitspraak van de Raad van Europa.

Het College voor de Rechten van de Mens bracht in 2014 twee maal een bezoek aan de Vluchtgarage in Amsterdam en constateerde dat het leven voor de bewoners mensonwaardig was. Het College riep zowel staatssecretaris Teeven als de gemeenten op vreemdelingen zonder verblijfspapieren te voorzien van voedsel, kleding en onderdak. De staatsecretaris heeft een mensenrechtelijke plicht om dat te doen. Op 16 december wezen ook drie VN-rapporteurs op de plicht die Nederland heeft om met spoed hulp te bieden aan dakloze migranten.

Het College voor de Rechten van de Mens geeft aan waar dit recht op opvang op gebaseerd is. Mensenrechten geven aan waar staten zich aan moeten houden om te voorkomen dat mensen op het grondgebied onveilig zijn of onder mensonwaardige omstandigheden leven. Deze rechten gelden voor iedereen. En dus ook voor mensen die niet het recht hebben om in Nederland te blijven maar er nog wel zijn. Mensenrechten overstijgen daarmee de politieke vraag of je een soft of streng beleid moet voeren tegen mensen zonder verblijfspapieren. Nederland mag namelijk niemand op zijn grondgebied een veilig en menswaardig bestaan ontzeggen.

Ik zou denken: wat geldt voor Nederland, geldt ook voor België.

Vehikel

Bij de afgelopen mid-term verkiezingen in de Verenigde Staten hebben de kiezers in Washington, D.C., gestemd voor de legalisering van het recreatief gebruik van marihuana. Volgens Initiative 71 moeten inwoners voortaan de mogelijkheid hebben maximaal zes marihuanaplanten te telen thuis en tot 56 gram (2 ounce) te bezitten voor eigen gebruik. Ook Alaska keurde een initiatief goed, waardoor binnen de negen maanden het gebruik van marihuana wettelijk moet geregeld worden. Oregon stemde voor het toelaten van het recreatief gebruik van marihuana en de mogelijkheid voor burgers om vier planten te telen. In 2012 stemden ook Colorado en de staat Washington al voor de legalisering van het recreatief gebruik van marihuana.

Wereldwijd groeit de overtuiging dat bijna honderd jaar van war on drugs over de hele lijn een fiasco is. De productie en het gebruik van illegale roesmiddelen zijn zeker niet afgenomen, de illegaliteit van de markt heeft de rol en het belang van criminele organisaties alleen maar doen toenemen, en vanuit het standpunt van volksgezondheid zijn het opjagen en de vervolging van consumenten alleen maar nefast. Dit is allemaal al lang en op ruime schaal wetenschappelijk onderzocht. En zelfs een Belgische hardleerse moral entrepreneur als de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen pleit nu eindelijk voor een gereguleerd aanbod van cannabis, want “anders zal het nooit lukken om het aantal gebruikers te doen dalen”. Zo kan minister van Volksgezondheid De Block, die er prat op gaat dat haar beleid evidence based zal zijn, niet anders dan aankondigen dat zij wel wil overwegen om de regulering van het cannabisaanbod te laten onderzoeken.

Maar in Antwerpen – en bij uitbreiding in de rest van de-Vlaamse-natie-in-wording – kan van dit verlichte denken geen sprake zijn. “Men kan onderzoeken wat men wil, maar dit wordt geen beleid”, zegt Grote Leider Bart De Wever in de krant.  Integendeel, na één jaar Antwerpse war on drugs heeft de politie al tweeduizend boetes uitgeschreven voor drugsgebruikers en –bezitters, ook als ze minder dan drie gram cannabis op zak hebben. Ligt het aan de verslaggever van de Standaard (6 november 2014), die niet begrijpt wat hij schrijft, of aan de geciteerde ‘drugsmagistraat’, maar waar gaat dit eigenlijk over? Het overgrote deel van de boetes wordt opgelegd wegens cannabisbezit; “maar het is net onze bedoeling om met dit beleid zoveel mogelijk drugsgebruikers in kaart te brengen en te laten begeleiden”, zegt de ‘drugsmagistraat’; en wie het hulpverleningstraject doorloopt, moet niet meer voor de rechter verschijnen. Hallo? Zou ik een hulpverleningstraject moeten doorlopen als ik gepakt word met drie gram wiet op zak?

Ik denk dat er wat anders aan de hand is. Het Antwerpse drugsbeleid is een instrument voor de jacht op en de intimidatie van jongens en mannen met een migratie-achtergrond. In wijken waar veel (ex-)migranten wonen, met een jonge bevolking en kleine behuizing, speelt een relatief groot deel van het sociale leven zich op straten en pleinen af. Als jongens dan blowen, al dan niet in gezelschap, gebeurt dat in de openbare ruimte. Het zullen niet de studenten zijn op de Ossenmarkt, of de blanke veertigers op feestjes, die opgejaagd worden omdat zij blowen. Niet voor niets zei eerder al een politiecommissaris dat de focus van het vervolgingsbeleid zou liggen in ‘migrantenwijken’ als Antwerpen-Noord en het Kiel. Le délit de sale gueule krijgt in Antwerpen vorm in de jacht op ‘illegalen’ en de jacht op ‘drugsgebruikers’.

Dertig jaar geleden, in 1984, publiceerde de Rotterdamse hoogleraar strafrecht en criminologie Louk Hulsman een lang artikel: ‘Drug policy as a source of drug problems and a vehicle of colonisation and repression’. Hij betoogde dat juist het repressieve drugsbeleid zelf aan de basis ligt van veel secundaire drugsproblemen. En ook dat dit repressieve drugsbeleid een vehikel is voor de kolonisatie van de leefwereld van mensen ten bate van ‘het systeem’. Het artikel van Hulsman is wat warrig, maar als je kijkt naar de Antwerpse doelstelling om zoveel mogelijk drugsgebruikers in kaart te brengen, is de titel wel mooi: drugsbeleid als een bron van drugsproblemen en als een vehikel van kolonisering en repressie.

Overigens, deze week werd ook bekend dat Amsterdam wil gaan experimenteren met gereguleerde wietteelt. De gemeenten Heerlen, Utrecht en Eindhoven zijn inmiddels bezig om gereguleerde wietteelt mogelijk te maken. Niet dat dit een einde zal maken aan de ‘kolonisering en repressie van de leefwereld’, maar een rationeel drugsbeleid zou wel een stap vooruit zijn.

Criminaliteit en rechtshandhaving 2013

Is Nederland de afgelopen jaren aanzienlijk veiliger geworden? Zo registreerde de politie in 2013 bijna een vijfde minder misdrijven dan in 2007. Vooral vernielingen en geweld komen minder vaak voor. De politie registreerde in 2013 in totaal 318.000 verdachten.  Doordat sommigen van hen van meer dan één misdrijf worden verdacht, komt dit neer op 225.000 unieke personen. Voor beide cijfers  is dit een daling van ongeveer een derde sinds 2007. Ook de in slachtofferenquêtes gerapporteerde criminaliteit nam van 2007 tot 2013 af met een kwart.

Dit alles blijkt uit de jaarlijkse publicatie Criminaliteit en rechtshandhaving. Daarin wordt ook vastgesteld: “Nederland doet mee aan de dalende trend in de geregistreerde criminaliteit in Noord- en West-Europese landen.” Betekent dit dan dat er minder criminaliteit is? Niet noodzakelijk. Bepaalde gedragingen of feiten zijn maar criminaliteit als je het criminaliteit noemt. Dat daar in 2013 minder van geteld wordt dan in 2007, heeft te maken met het feit dat er minder feiten als zodanig gerapporteerd worden door slachtoffers en geregistreerd door de politie. Dat kunnen verschillende verklaringen voor zijn. Het kan zijn dat er inderdaad minder feiten hebben plaatsgevonden die je criminaliteit kan noemen. Het kan ook zijn dat minder wetsovertredingen als criminaliteit geregistreerd en afgehandeld worden. Of nog, dat feiten die in 2007 als criminaliteit werden beschouwd, nu niet meer als zodanig worden gepercipieerd, bijvoorbeeld omdat men wetsovertredingen gedoogt, of men ze normaal is gaan vinden.

Ik gebruik de samenvatting van ‘Criminaliteit en rechtshandhaving 2013’ voor een aantal aanwijzingen in die richting. Zo stelt het rapport dat sinds 2005 de meldings- en aangiftebereidheid door slachtoffers “licht daalt”. Anderzijds, hoewel de politie in 2013 zeventien procent minder misdrijven registreerde dan in 2007, gaat het toch nog om 1,09 miljoen (één miljoen negentig duizend). Bijna twee derde hiervan betrof vermogensmisdrijven. Het aantal geregistreerde gevallen van vernielingen en misdrijven tegen openbare orde en gezag daalde het hardst, met 42%. Het aantal (vuur)wapenmisdrijven nam toe met twintig procent.

Maar ook wat opsporing en handhaving betreft, is er een afname te zien. Er werden in 2013 244.000 misdrijven opgelost, een kwart minder dan in 2007. Het (voorlopige) ophelderingspercentage ligt in 2013 op ruim 22%, iets lager dan de voorgaande jaren. Voor de zaken die bij het Openbaar Ministerie terecht kwamen, werden 114.000 dagvaardingen uitgeschreven; dat is ruim een kwart minder dan in 2007. Het aantal technische sepots nam sinds 2007 toe met 62% tot 24.000 (meestal vanwege onvoldoende bewijs om tot vervolging over te gaan). Het aantal onvoorwaardelijke beleidssepots nam toe met 52% tot 15.000 (in deze zaken is het vastgesteld beleid om “op gronden aan het algemeen belang ontleend” niet te vervolgen). In 2013 zijn er dan ook minder straffen opgelegd. De vrijheidsstraf komt het meest voor (34.000), dan de taakstraf (31.000) en de geldboete (25.000). Gevolg van een en ander is dat de bezetting in het gevangeniswezen daalde tot 10.500 plaatsen en in de justitiële jeugdinrichtingen tot 470.

De vraag blijft dus: waren er in 2013 minder strafbare feiten en gedragingen, of waren het er even veel als in 2007 en werd er gewoon steeds minder gerapporteerd, minder opgespoord, minder vervolgd, minder veroordeeld en gestraft? Misschien doet het er niet toe. ‘Criminaliteit en rechtshandhaving 2013’ stelt vast dat tussen 2005 en 2008 de onveiligheidsgevoelens van Nederlanders afnamen. Sindsdien bleek het een constante dat één op de drie Nederlanders zich wel eens onveilig voelt. Dat is tussen 2007 en 2013 een afname met een kwart. Maar opnieuw: is dit omdat er minder criminaliteit is, of omdat men bepaalde feiten niet meer percipieert als criminaliteit, en men ze dus ook niet meer als zodanig rapporteert en registreert?

 

Syndicate content