Concurrentiekracht

De Standaard heeft op 14 januari, onder het chapeau ‘Concurrentiekracht’ een stuk met de titel ‘Spanje verkleint kloof met China’. Normaal denk je dan: ‘Wat goed, Spanje loopt in op de voorsprong die China heeft. Merkwaardig toch, op welk gebied zou dat kunnen zijn?’

Maar dan lees je: “De dalende lonen in Spanje maken het mogelijk om weer concurrentieel te produceren [in de textielsector]. ‘Tijdens de jaren van de bouwwoede waren de vrouwen in de dorpen niet geïnteresseerd in werk voor 700 of 800 euro per maand’, zegt directeur Daniel Alcazar Barranco. ‘Nu staan de werklozen met de rug tegen de muur. Ze aanvaarden lonen die toen belachelijk laag leken.’” En wat verder: “Spanje is een van de landen in de eurozone die profiteren van een toenemende concurrentiekracht door hervormingen en loonmatigingen. Ook in Griekenland en Portugal wordt de kloof met China smaller. De arbeidskosten per eenheid product daalden vorig jaar in Spanje voor het vierde opeenvolgende jaar. Sinds 2008 is de koopkracht van de gezinnen met 10 procent gedaald, maar de export steeg vorig jaar naar een recordniveau.”

Juicht! De mensen worden in razend tempo armer, maar de bedrijven kunnen meer uitvoeren, en er valt dus meer winst te verdelen onder de aandeelhouders. Worden de arbeiders zelf daar dan beter van? De Standaard meent van wel: “‘Vroeger was het lastig om iemand te vinden voor een contract van minder dan drie maanden. Nu zijn heel veel mensen bereid om voor een paar weken te komen werken’, zegt Lorenzo Rivares van de koepel van arbeidsbemiddelaars. [-] De Spaanse arbeidsmarkt is ook dynamischer geworden door de hervormingen van de regering. Die maken het voor werkgevers makkelijker om mensen te ontslaan, of om lonen te verlagen. Daardoor zijn de arbeidskosten gedaald en is de drempel om mensen aan te werven gedaald.”

Het artikel is overgenomen van persagentschap Bloomberg, maar dat op dezelfde pagina een groot stuk staat onder de kop ‘Economische crisis duwt 200.000 Belgen richting armoede’, maakt het niet minder wrang. Wie wel eens nadenkt over wat vrijwel alle politieke partijen, en het verzamelde hoofeconomendom, en nog wat columnisten voortdurend roepen kon natuurlijk al weten wat zij voorstaan: een lagelonenland met tijdelijke en mini-jobs, en werklozen die met hun rug tegen de muur staan. Maar het blijft aardig dat De Standaard het nog eens kort en bondig beschrijft.

 

Foute taal

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal 2013, dat morgen plaatsvindt, is geschreven door Kees van Kooten. In de aanloop daar naartoe had hij een hilarisch (of toch irritant?) optreden in De wereld draait door. (De inhoud van die monoloog was ook, vormgegeven als een interview, te lezen in De Morgen van 14 december 2013.) Van Kooten gaf in DWDD een aantal voorbeelden uit zijn collectie foute titels, foute zinnen en spelfouten, gevonden in Nederlandse kranten. Dat gaat dan van ‘Van slavernij verdacht Brits echtpaar op borgtocht vrij’ tot ‘Romijnse Oudheid’ of het gebruik van ‘mits’ in plaats van ‘tenzij’.

Hij concludeert: “Dus kunnen we foute taal niet dulden. Taal is waar het op staat.”

Toevallig kreeg Van Kooten in diezelfde krant van 14 december nog eens een extra bron van ergernis aangeboden door de Belgische minister van Justitie, Annemie Turtelboom. Bijna een volledige krantenpagina lang mag zij opsommen wat zij allemaal in twee jaar verwezenlijkt heeft bij de hervorming van Justitie. Zij begrijpt dat de vakbonden het daar soms moeilijk mee hebben, maar dat neemt niet weg dat zij hoopt dat “over enkele weken” de Senaat het tweede wetsontwerp op het beheer van Justitie zal goedkeuren. Dan “zal onomkeerbaar een periode van tien jaar van verandering in justitie starten. En wie betwist nog dat dit niet nodig zou zijn?

 

'Ongezien'

 

 

 

 

Standaardnederlands

Uit een of ander onderzoek, dat De grote taalpeiling wordt genoemd, concludeert De Standaard onder meer: “Overigens: hoe tolerant de Vlaming ook staat tegenover dialect en tussentaal in minder formele situaties, toch verwacht hij dat de media en het onderwijs het goede voorbeeld blijven geven.

Die verwachting valt dan toch op dorre bodem bij de Nederlandstalige ‘kwaliteitskranten’ in België. In De Standaard lees je regelmatig – zelfs in koppen – dat iemand ‘zijn kat stuurt’ of ‘achter de computer kruipt’. Alleen dadakes en saluukes komen nog niet courant voor op die krantenpagina’s.  De andere zelfverklaarde kwaliteitskrant, De Morgen, bereikte afgelopen woensdag dan weer wel een nieuw hoogtepunt. Op twee verschillende plekken werden ‘tenen uitgekuist’. Op pagina 11: “Als kinderarts mag je je tenen uitkuisen als je een discussie met hen wil voeren.” En in de column van ene Filip Joos: “… de makers zullen hun tenen mogen uitkuisen om het niveau van de artikelenreeks in Humo te benaderen.”

 

Tenen uitkuisen? Dat is het Vlaanderen zoals men het blijkbaar graag heeft: ongewassen en met zijn poten in een zompige wei. Als het van de ‘kwaliteitskranten’ afhangt, zal er nog niet zo snel een eind komen aan de Vlaamse boertigheid.

Mba-Kajere

 

Mba-Kajere, zomer 1998

 

Herculine Barbin 1

 

Ik kwam op het spoor van Herculine Barbin door een tekst in Krisis – tijdschrift voor filosofie uit 1994 (nr. 57). Hoewel, achteraf bleek dat ik Herculine Barbin – Mijn herinneringen, van een nawoord en een dossier voorzien door Michel Foucault en aangevuld met ‘Een schandaal in het klooster’ van Oscar Panizza al in 1990 had gekocht. Gewoon in de kast gezet en vergeten.

Ik kwam dus weer op het spoor van Herculine Barbin door een artikel van de Amerikaanse filosofe LaDelle McWorther, ‘Foucaults Herculine Barbin, de strategie van de verdubbelde deviantie’. Daarin betoogt McWorther dat het dossier van Foucault ‘impliciet een strategie biedt voor seksueel verzet’. Ik zocht de tekst niet omwille van die notie van ‘seksueel verzet’, maar voor de strategieën van verzet tout court.

‘Mijn herinneringen’ is het persoonlijke levensverhaal van Barbin, die in 1838 geboren wordt in een Frans provinciestadje, en van haar ouders de meisjesnaam Alexina krijgt. Zij groeit op als meisje, gaat naar een meisjesinternaat bij de nonnen, en kan na een opleiding als bijna twintigjarige aan de slag als onderwijzeres in een ander meisjesinternaat. Hoewel zij zelf schrijft dat zij een gelukkige jeugd had, merkte Barbin dat zij dons op haar wangen kreeg, dat zij zwaar behaarde benen had en geen borsten ontwikkelde, dat zij ook niet ongesteld werd. Barbin verbergt deze fysieke kenmerken voor haar (mede)leerlingen, maar tegelijk begint zij ook een hartstochtelijke fysieke en langdurige relatie met een van hen. Wanneer dit niet meer te verbergen is, en een schandaal dreigt, moet zij enkele medische onderzoeken ondergaan, waarvan de conclusie algemeen is: zij/hij is hermafrodiet. Barbin heeft zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen, die echter geen van beide volgroeid zijn. Toch besluiten de medici dat zij eigenlijk een man is. In een poging haar (verboden) liefdesrelatie verder te kunnen zetten, laat Barbin zich bij de burgerlijke stand van geslacht veranderen. Maar het schandaal in het stadje is te groot geworden en Barbin moet de wijk nemen naar Parijs. Daar schrijft hij zijn herinneringen, en hij sterft enkele jaren later van ontbering in uiterst armoedige omstandigheden.

Foucault heeft het dossier rond Herculine Barbin gepubliceerd in 1978, in het verlengde van zijn eerste deel van de geschiedenis van de seksualiteit, La volonté de savoir. Voor Foucault was Herculine-Adélaide Barbin, die overigens in verschillende documenten ook Alexina Barbin of Abel Barbin of Camille heet, een voorbeeld van de slachtoffers die de nood aan een seksuele identiteit maakt. Barbin, die een mengsel van twee geslachten in één lichaam had, moest per se óf man zijn, óf vrouw: ‘hermafrodieten zijn altijd pseudo-hermafrodieten’, is de stelling die dan prevaleert. Wat Barbin vlak vóór zijn dood oproept in zijn herinneringen, is volgens Foucault “het onbewuste geluk van de niet-identiteit, die paradoxaal genoeg beschermd werd door die kleine, warme, besloten gemeenschap waarin men het tegelijk opgelegde en verboden geluk smaakte slechts één geslacht te kennen.”

Mij ging het bij het opzoeken van Herculine Barbin dus niet om Foucault’s suggestie van het lichaam als ‘aangrijpingspunt voor verzet tegen netwerken van seksuele macht’, zoals McWorther het verwoordt, maar om haar gevolgtrekking over de strategie van de verdubbelde deviantie in het algemeen. (Daarover meer in twee teksten die binnenkort verschijnen in het Engels en het Nederlands over de mogelijkheid van verzet tegen Europees migratiebeleid.)

Toch is er deze week plots nieuws dat het dossier Herculine Barbin weer actueel maakt. Vanaf 1 november namelijk is het in Duitsland niet meer vereist om bij de aangifte bij de burgerlijke stand het vakje ‘M’ of ‘F’ aan te kruisen. Männlich, weiblich, unbestimmt kopt de Süddeutsche Zeitung: de wetgever respecteert dat er interseksuele mensen bestaan, mensen dus met niet eenduidige lichamelijke geslachtskenmerken. Wanneer het geslacht niet aangemerkt is bij de geboorteaangifte, kunnen mensen later nog kiezen welk geslacht zij erkend willen zien, of zij kunnen er de voorkeur aan geven nooit een geslacht in te vullen. De Süddeutsche Zeitung stelt vast: „Es ist nun rechtlich anerkannt, dass Menschen nicht nur männlich oder weiblich sein können.“

Voor wie Foucault serieus neemt, is de vraag nu wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling in Duitsland voor het denken over seksuele vertogen en hun functie bij de disciplinering en normalisering van lichamen en lusten. In ieder geval gaat het hier eerder om de vaststelling van niet-identiteit dan om de erkenning van wisselende of meervoudige (seksuele) identiteit. En ook, het gaat om het fysieke geslacht, niet om gender, het geslacht dat men beleeft.

 

 

Vanuit veel werelden

Zonet heb ik de inleiding en het nawoord van Vanuit veel werelden. Migrantenculturen in Nederland. in het archief geplaatst. Dat boekje maakte ik in 1984, samen met fotograaf Robert de Hartogh.

Ik vind het vertederend om te zien hoe dertig jaar geleden in Nederland de theorievorming rond de multiculturele samenleving langzaam tot stand kwam. Het was de periode waarin men schuchter begon te beseffen dat ‘andere culturen’ meer inhield dan wat de Hollander kon beleven op podia en in eethuizen. De gastarbeiders waren een deel geworden van de Nederlandse samenleving, en dus ook hun cultuur van elke dag: taal, relaties, opvoeding, geloof, familieverhoudingen, arbeidsmoraal, politiek (al dan niet in hun land van herkomst), …

Het was bijna zendelingswerk, toen, om te blijven benadrukken dat de gastarbeiders en hun nakomelingen geen exotica waren, maar dat Nederland multi-cultureel was geworden. In dat kader pasten ook de negen brochures die Robert en ik in de zelfde periode maakten voor de cursus Cross Culturele Dienstverlening van het Nederlands Centrum Buitenlanders.

In 1987 eindigde ik het laatste cursusonderdeel met dit fragment: “Het antwoord voor een (linkse) antiracismebeweging zou misschien kunnen liggen in het opzij leggen van klasseringen op basis van ras, in het zoeken naar een politiek waarin het begrip ‘etnische groep’ of ‘culturele minderheid’ geen rol meer speelt – met andere woorden: misschien kan een antiracismebeweging zich eens concentreren op de vraag: waar zijn we vóór, als we tegen racisme zijn?” In die zin zijn wij waarschijnlijk wel wat opgeschoten in die dertig jaar.

Werkwoord

 

“Ik leef nu op aarde en weet niet wat ik ben.

Ik weet dat ik geen categorie ben.

Ik ben geen ding – een zelfstandig naamwoord.

Het lijkt erop dat ik een werkwoord ben.”

R. Buckminster Fuller

 

Gezinshereniging

De Nederlandse Kinderombudsman is een onderdeel van het Bureau Nationale ombudsman. De Kinderombudsman is een ambt, dat sinds 2011 wordt toegekend door de Tweede Kamer. Hij (nu Marc Dullaert) controleert of de overheid de kinderrechten in Nederland naleeft. Hij doet dit ook bij private organisaties in het onderwijs, de kinderopvang, de jeugdzorg en de gezondheidszorg. In 1989 zijn de kinderrechten door de Verenigde Naties (VN) vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag.

In juni hebben de diensten van de Kinderombudsman een 123 pagina’s lang, vernietigend rapport gepubliceerd over de Nederlandse praktijken rond de gezinshereniging van kinderen met hun naar Nederland gevluchte ouders: Gezinshereniging – beleid en uitvoering 2008-2013. De aanleiding voor het onderzoek was de vaststelling dat het aantal afwijzingen sterk is gestegen: van 12 procent in 2008 naar 83 procent in 2011.

De Kinderombudsman is niet over één nacht ijs gegaan. Het onderzoek nam elf maanden in beslag, er werden 459 dossiers onderzocht, waarin 1672 kinderen een aanvraag hebben ingediend om bij hun naar Nederland gevluchte ouders te mogen komen wonen. Verder zijn talloze interviews verricht, en heeft men op de ambassades in Nairobi en Addis Abeba onder meer een aantal gehoren van kinderen geobserveerd.

De conclusies zijn niet mis: “De Kinderombudsman stelt op basis van dit onderzoek vast dat sinds 2008 de rechten van kinderen die zich willen herenigen met een naar Nederland gevluchte (pleeg)ouder in ernstige mate door de Nederlandse overheid zijn geschonden. Een steeds strenger wordend beleid, waarin allerlei niet te rechtvaardigen vereisten werden gesteld aan gezinnen om in aanmerking te komen voor hereniging, in combinatie met een onzorgvuldige werkwijze van de IND, heeft er toe geleid dat er inbreuk is gemaakt op het recht van kinderen om zich te herenigen met hun ouder.” (De IND is de Immigratie- en Naturalisatiedienst, te vergelijken met de Belgische Dienst Vreemdelingenzaken, DVZ.)

“Het Verdrag voor de Rechten van het Kind schrijft voor dat een kind het recht heeft om op te groeien bij de ouders, tenzij dit niet in het belang van het kind is. De Nederlandse overheid heeft onder dit verdrag de verplichting om aanvragen tot gezinshereniging met spoed, menselijkheid en welwillendheid te behandelen. De Kinderombudsman constateert dat aan geen van deze verplichtingen is voldaan. In de verschillende stadia van de gezinsherenigingsprocedure zitten dermate ernstige tekortkomingen dat de kinderen die sinds 2008 een aanvraag indienden geen volwaardige kans hebben gekregen om gebruik te maken van dit recht op gezinshereniging. Het risico is daarmee groot dat er grote aantallen kinderen onterecht gescheiden zijn gebleven van hun ouder. Dit acht de Kinderombudsman onaanvaardbaar.”

En ook: “De Kinderombudsman ziet dat door de sterke focus op de bestrijding van fraude en oneigenlijk gebruik van de nareisprocedure, het belang van het kind, zowel in het beleid als de uitvoering, geheel uit het oog is verloren. Daardoor is de procedure dermate onzorgvuldig geworden dat niet meer volgehouden kan worden dat de hoge afwijzingspercentages de eerder ontstane vermoedens van fraude bevestigen. Een beleid waarin aandacht is voor fraude- en misbruikbestrijding mag niet leiden tot een dermate grote inperking van fundamentele rechten, zoals het recht van het kind om op te groeien bij de ouders. Doordat de procedure, met het oog op fraudebestrijding, volgens de IND "steeds uitgebreider en intensiever" is geworden, zijn in de afgelopen jaren aanvragen van kinderen mogelijk onterecht afgewezen, omdat hun aanvraag op onzorgvuldige wijze behandeld is.”

Dan volgen details over de wijze waarop kinderen op de ambassades worden gehoord over de waarachtigheid van hun aanvraag om hun ouders te mogen nareizen naar Nederland. Er is overigens geen rechtsbijstand tijdens die gehoren, en de kinderen mogen het verslag niet nalezen. Dit zijn nog maar enkele van de praktische bezwaren die de onderzoekers aankaarten. Waar het vooral op neer komt, is: “Uit het dossieronderzoek blijkt dat het overgrote deel van de kinderen wordt afgewezen, omdat zij en hun ouder volgens de IND tijdens de gehoren niet aannemelijk hebben kunnen maken dat (zij) samen een gezin hebben gevormd tot aan het vertrek van de vluchtende ouder. In de verklaringen die de gezinsleden hebben afgelegd zijn volgens de IND te veel tegenstrijdigheden gevonden. In de praktijk, zo blijkt, kunnen enkele tegenstrijdigheden, die betrekking hebben op details, voor de IND al aanleiding vormen om de aanvraag af te wijzen. [-] De Kinderombudsman is van mening dat het grote belang dat bij de beslissing wordt gehecht aan de verklaringen over details, niet in verhouding staat tot de mate van zorgvuldigheid waarmee de gezinsband wordt onderzocht.”

In die zin lijkt er weinig verschil tussen de praktijken van de Nederlandse IND en die van de Belgische DVZ (en trouwens ook van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen). Uit mijn ervaring blijkt dat ook de Belgische instanties bij het beoordelen van een asiel- of gezinsherenigingsaanvraag deze meteen proberen af te wijzen door in eerste instantie tegenstrijdigheden in het verzoek te ontdekken of te construeren. Ook hier is de opdracht: probeer de aanvragers te betrappen op onnauwkeurigheden, zodat wij de aanvraag als bedrieglijk kunnen wegzetten.

De Kinderombudsman koppelt aan het onderzoek nog een aanbeveling: “De afgelopen jaren is de Nederlandse overheid op onzorgvuldige wijze omgesprongen met kinderen die naar een gevluchte ouder in Nederland wilden komen. De IND is bij de beoordeling van hun aanvraag te veel gericht op het voorkomen van fraude en is het belang van het kind daarbij uit het oog verloren. Het steeds aangescherpte beleid heeft geleid tot een onaanvaardbaar hoog risico dat de 3910 kinderen die sinds 2008 een aanvraag voor gezinshereniging hebben ingediend, en zijn afgewezen, mogelijk onterecht gescheiden zijn gebleven van hun ouder. Hun recht om zich te herenigen met hun ouder wordt op die manier met voeten getreden.

Volgens de Kinderombudsman kan dat maar één ding betekenen: de kinderen die sinds 2008 een aanvraag voor gezinshereniging hebben ingediend en door de IND zijn afgewezen, moeten een eerlijke kans krijgen. Zij (of hun ouders namens hen) moeten een nieuwe aanvraag kunnen indienen, die vervolgens aan een verbeterd wets- en beleidskader getoetst zal worden én met een verbeterde uitvoering beoordeeld.

De Kinderombudsman doet de dringende aanbeveling om het falende beleid van de afgelopen jaren te herstellen en de kinderen die hierdoor mogelijk onterecht gescheiden zijn gebleven van hun ouders alsnog de kans te geven zich te herenigen.”

 

Mal français of langue unique ?

 

Mal français of langue unique ?

Onder de kop ‘Le mal français’ mag Luckas Vander Taelen in De Standaard nog eens van leer trekken tegen Franstaligen. Deze keer zijn het de Fransen die het moeten ontgelden: “Nog steeds leven veel Franse intellectuelen in een zelfingenomen microkosmos. Het lijkt hen volledig te ontgaan dat de wereld niet meer naar hen luistert en dat de invloed van de Franse cultuur de enge francofonie niet overstijgt, ook al omdat het Engels het Frans als wereldtaal compleet heeft verdrongen. [-] De wereld verandert, maar een groot deel van de Fransen wil vooral dat alles weer wordt zoals vroeger.”

Vander Taelen schrijft het met nogal wat dédain, maar inderdaad, er is in Frankrijk enig ongemak over de omgang met de ‘nieuwe’ wereldtaal. Sinds enige maanden is een van de belangrijke terreinen waarop de discussie zich afspeelt dat van het hoger onderwijs (net zoals dat het geval is trouwens in België en Nederland). Sinds 1994 is bij wet vastgesteld dat de taal van onderwijs en examens, thesissen en proefschriften in de openbare en private onderwijsinstellingen het Frans is. De minister van Onderzoek en Hoger Onderwijs wil nu dat aan de universiteiten voortaan in het Engels gedoceerd wordt, met name om studenten uit opkomende landen als Korea, India of Brazilië niet te ontmoedigen om in Frankrijk te komen studeren. (Studenten uit de talrijke Franstalige Afrikaanse staten zijn blijkbaar minder aantrekkelijk.) Om even haar standpunt te illustreren, zei de minister nog: “Si nous n’autorisons pas les cours en anglais, nous nous retrouverons à cinq à discuter de Proust autour d’une table.” Nee, dan liever nog wat Angelsaksische managementmeuk.

Maar goed, het verzet tegen het ‘luchthavenengels’ (merci, Serge Halimi) als langue unique is ook niet altijd even overtuigend. Vaak wordt ietwat retorisch de vraag gesteld: zouden onze studenten dan, wanneer zij ons verlaten, geen woordenboek meer hoeven? Is meertaligheid niet juist een troef, zelfs als je daar een woordenboek bij nodig hebt? Is het niet juist in de uitwisseling tussen talen, dat men er toe komt de wereld in haar diversiteit te denken?

Dat laatste lijkt mij wel, ja; alleen, het argument klinkt niet echt overtuigend uit de mond van een Fransman/vrouw. Mijn internationale onderwijs- en onderzoekservaring van de afgelopen vijfentwintig jaar leert toch dat, wanneer Franstaligen zich wagen aan een voor hen tweede taal, dat meestal een soort frenglish is, en zelfs niet een andere Latijnse taal. Anderzijds leert de jarenlange ervaring met Erasmus-projecten mij ook dat studenten van niet-Engelsprekende afkomst zich vaak kunnen vinden in een soort common session english, terwijl juist de Engelstaligen in het idioom waarin zij volledig thuis zijn over de hoofden van de anderen heen praten.

Klakkeloos toegeven aan de dominantie van een soort Amerikaans lijkt mij onzinnig; zich opsluiten in de exclusiviteit van de ‘eigen’ taal al evenzeer. Maar hoe organiseer je praktijken van meertaligheid?

 

Syndicate content