lettre ouverte à propos d'un projet éolien (30 octobre 2015)

Vue depuis Amcômont, photomontage dans l’étude d’incidences

 

Au collège des bourgmestre et échevins de Lierneux

                                                                                                                            

Monsieur le bourgmestre,

Madame et Messieurs les échevins,

 

La commune a publié un avis d’enquête publique concernant le projet de parc éolien situé au site nommé Lambiester.

Veuillez trouver ci-dessous ma réaction.

 

-          Dans le Programme de politique générale 2015-2018 (publié dans le bulletin communal de février 2015) le Collège écrit : « Le débat que nous devons vous proposer : préférons-nous un développement industriel porteur d’emplois et de rentrées communales ou un artisanat qui garantira un confort plus grand en termes de mobilité et d’environnement, … ? Sur base du résultat, nous prendrons des mesures adéquates. »
Ce débat, est-ce qu’il a eu lieu ? Si oui, quel en est le résultat ? Comment ce projet éolien s’inscrit-il dans le débat ? Est-ce qu’il fait part du développement industriel ? En tout cas, il ne semble pas contribuer à garantir un confort plus grand en termes d’environnement. Est-ce que le débat que vous avez annoncé en février serait donc déjà arrivé à sa conclusion en septembre ? Il nous semble qu’une décision sur l’implantation d’éoliennes à Lambiester ne puisse être prise que dans une vision claire du futur de la commune, et ceci après une large concertation démocratique.
(A ce propos, il aurait d’ailleurs été souhaitable qu’un dossier tellement important ait été consultable sur internet ; assez d’habitants n’ont pas eu l’occasion de se rendre à l’hôtel de ville pour y consulter à leur aise un dossier si épais.)

-          De nombreux gens ont choisi de vivre à Lierneux ou en Haute-Ardenne, non pas pour éprouver un développement industriel, mais à cause de la promesse de nature, quiétude, randonnées et paysages. Or, la commune se promeut elle-même sur son site dans ces termes : « Lierneux, site naturel remarquable, présente des paysages époustouflants, desquels transpirent une douceur et une beauté sans pareil. Toutes les zones « ouvertes » de la commune possèdent des vues splendides tant au niveau de la longueur de vue, de l’angle de vue, de la variété des paysages, du relief, que de l’harmonie qui s’en dégage. Lierneux bénéficie de 4 périmètres d’intérêt paysager et 13 points de vue remarquables. Lierneux possède 10 sites de grand intérêt biologique, 670 ha en Natura 2000, 5 réserves naturelles et un maillage de hameaux et villages dont l’architecture vernaculaire issue du savoir-faire des artisans met en œuvre les matériaux locaux tant minéraux que végétaux. »
En effet, et n’oublions surtout pas six éoliennes de 150m de haut qui dominent le panorama à n’importe quel point de vue dans la commune (regardez tous les photomontages inclus dans l’étude d’incidences).

-          Cette mention sur le site communal prouve d’ailleurs que la nature et ces panoramas forment eux aussi un atout économique, dans le sens que ces éléments séduisent des gens venant de près ou de loin à des séjours courts ou longs.

-          L’intérêt financier pour la commune que pourrait apporter le parc éolien est un intérêt à court terme. A long terme, c’est une nature de plus en plus rare mais bien protégée, qui constituera un intérêt fondamental pour de plus en plus de personnes. Dans une culture de durabilité, l’argent n’est pas le seul critère de richesse ; le bien-être est aussi une valeur économique. (D’ailleurs, la nouvelle centrale hydroélectrique qui sera réalisée à Coo à court terme, produira, dans les alentours immédiats de Lierneux, beaucoup plus d’énergie durable que le parc éolien de Lambiester.)

-          En ce qui concerne l’argument de l’énergie durable : nous ne sommes évidemment pas adversaires d’énergie durable, mais des parcs éoliens ne devraient pas se situer – comme ce serait le cas à Lambiester – aussi bien au milieu d’un bois que tout près d’une zone habitée. Il nous semble au moins contradictoire que l’on puisse détruire une bonne part de la nature qui nous entoure pour des raisons écologiques. Même aux Pays-Bas ou en Allemagne, où l’on a une longue expérience avec l’implantation d’éoliennes, la population commence à résister à ces projets pour cause des nuisances et des problèmes de santé, et de la pollution du paysage. Pourquoi ne pas prévoir ces implantations d’éoliennes le long des autoroutes aux endroits non boisés, ou mieux encore, dans des zoning industriels ?

 

Pour toutes ces raisons, je m'oppose  fermement à l'implantation d'éoliennes en forêt en général et sur le site de  Lambiester en particulier. Je veux insister à ce que le Collège exprime un avis défavorable à ce propos.

Veuillez, Madame et Messieurs, accepter mes sentiments respectueux, etc.

FLIKKERLIG: EVGENY MOROZOV

"La logica del capi­ta­li­smo neo­li­be­rale è tra­sfor­mare ogni cosa in merce. E que­sto vale anche per la privacy."

Un intervista con Evgeny Morozov sul manifestoIl Leviatano di Silicon Valley.

OBSPOL (2)

En plots stuit ik op deze foto van Hugo Correia uit 2012:

 

Persfotografe Patricia de Melo Moreira wordt aangevallen door een politieman tijdens een demonstratie in Lissabon (zie hierover The Guardian).

Als ik dit soort beelden zie, vraag ik mij vaak af: wat bezielt zo'n politieman? Wat bezielt iemand om in te slaan op een ongewapend persoon? De Melo is duidelijk niet gewapend; zij heeft zelfs geen helm op - gewoon een persfotografe die haar werk probeert te doen. 

Ineens moest ik denken aan de beruchte sneer van Pier Paolo Pasolini aan de studenten die op 1 maart 1968 demonstreerden in Rome en door de politie werden aangevallen:

Quando ieri a Valle Giulia avete fatto a botte
coi poliziotti,
io simpatizzavo coi poliziotti.
Perché i poliziotti sono figli di poveri.

"Toen gisteren op Valle Giulia jullie op de vuist zijn gegaan
met de politieagenten,
sympathiseerde ik met de politieagenten.
Omdat de politieagenten armeluiskinderen zijn."

De passage plaatste links Italië voor een raadsel. In een conflict tussen studenten die de gevestigde orde aanvielen en de politie, koos Pasolini de kant van de politie, omdat die bestond uit proletariërs?

Bij nader toezien is het natuurlijk iets gecompliceerder. Om te beginnen sympathiseert Pasolini niet met de politie, maar met de politieagenten. Bovendien is de 'uitspraak' slechts een kort fragment uit het gedicht 'Il PCI ai giovani' ('De Communistische partij aan de jongeren'), waarin hij zich rechtstreeks tot de “lieve jongens en meisjes” richt. De tekst dateert van 16 juni 1968, en begint heel expliciet met een verwijzing naar de confrontatie op Valle Giulia. Pasolini beschrijft kort hoe de demonstrerende studenten op sympathie kunnen rekenen in de media (het is volop Mei '68), maar niet bij hem. Voor hem zijn het slechts fils à papa, rijkeluiskinderen die voorbereid worden om de rol van hun ouders in de klassenmaatschappij over te nemen.  "Ik haat jullie zoals ik jullie papa's haat."

De politieagenten daarentegen komen uit de onderklasse, stedelijk of plattelands, en Pasolini kent die zelf maar al te goed. Hij kent de manier waarop zij kinderen en jongens geweest zijn, met een vader die zelf kind gebleven is omdat hij door de miserie waaruit hij zijn gezin niet kon halen, zelf geen gezag had. Duizend lire een schat, de moeder zwak als een vogeltje door een of andere ziekte, de talloze broertjes en zusjes, het souterrain boven de beerput, het appartement in de woonblokken, enz. enz.

En dan, kijk hoe ze aangekleed zijn: als paljassen. En het ergst van al, de psychologische staat waartoe zij gereduceerd zijn (en dat voor een schamele veertigduizend lire per maand):

senza più sorriso,
senza più amicizia col mondo,
separati,
esclusi (in un tipo d’esclusione che non ha uguali);
umiliati dalla perdita della qualità di uomini
per quella di poliziotti (l’essere odiati fa odiare).

"geen glimlach meer,
geen vriendschap meer met de wereld,
afscheiden,
uitgesloten (in een soort uitsluiting die geen gelijke heeft)
vernederd door het verlies van de hoedanigheid van mensen
voor die van politieagenten (gehaat zijn doet haten)."

En hij gaat door dat, uiteraard, hij ook tegen de politie is, maar “pak dan de magistratuur aan, eerder dan die politiemensen van jullie leeftijd”. Op Valle Giulia vond een stuk klassenstrijd plaats, en de studenten, hoewel zij gelijk hadden, waren de rijken, terwijl de politieagenten, die aan de kant van het ongelijk stonden, de armen waren. Bella vittoria, dunque.

Pasolini stelt zich voor hoe, net zoals de studenten de universiteit bezetten, jonge arbeiders hun fabriek zouden bezetten. Die zouden niet hoeven rekenen op de sympathie van Corriere della Sera, la Stampa, Newsweek of Le monde, en de politie zou zich in de fabriek zeker niet beperken tot het incasseren van wat klappen. Maar vooral, “hoe zou een jonge arbeider kunnen besluiten een fabriek te bezetten, zonder binnen de drie dagen van honger om te komen?” … “Dus ga jullie universiteit maar bezetten, maar geef ook de helft van wat jullie ouders voor jullie betalen aan de jonge arbeiders, zodat die, samen met jullie, ook hun fabriek kunnen bezetten.”

En toch: begrip of niet voor de mogelijke klassenverhoudingen in de demonstratie; wat bezielt zo'n figuur om ongewapende mensen aan te vallen, terwijl hij wel een wapen heeft? En al zou het klassenstrijd zijn tegen studenten (of in dit geval de fotografe) die een makkelijk leven leiden, en die (binnenkort) deel uitmaken van de heersende klasse, is dat een voldoende grond om sympathie te hebben voor een pauper, die anderen neerslaat om de orde te verdedigen die hem arm maakt en houdt? 

OBSPOL

OBSPOL staat voor Observatoire des violences policières. De website bestaat sinds maart 2013 en bevat een schat aan informatie over politiegeweld in België, maar ook in het buitenland. Je kan er getuigenissen vinden (deels overgenomen uit publieksmedia) en een overzicht van juridische actualiteit. Ook het Verslag over 2014 dat de Ligue des droits de l’homme en OBSPOL hebben gemaakt in het kader van het Universeel Periodiek Onderzoek van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties staat op de site. Het is een onthutsend document, stevig onderbouwd met grafieken en statistieken. Wie het allemaal wat smeuïger wil, vindt ook een rubriek met filmpjes; een behoorlijk aantal ervan is echter blijkbaar al verwijderd van de site waarnaar verwezen wordt.

Want de Antwerpse Snelle Respons Teams met hun oorlogswapens mogen zich dan voorlopig vooral belachelijk maken, de cultuur van geweld bij de politie (verbaal en fysiek) uit zich ook in allerlei dagelijkse optredens. De site www.obspol.be geeft goed aan waarom het belangrijk is dat deze praktijken voortdurend geregistreerd worden.

De illustratie hieronder is een werk van banksy.

 

MIGRATIE OF MOBILITEIT?

Deze dagen wordt het nieuws beheerst door de toestroom in Europa van mensen die rampspoed en oorlog ontvlucht zijn in Syrië, Irak, Afghanistan (de Afrikanen die de Middellandse Zee proberen over te steken zijn even naar de achtergrond gedrongen). Blijkbaar willekeurig heten die mensen in de media ‘vluchtelingen’ of ‘migranten’.

Maar sinds een aantal jaren is er ook opnieuw een grote groep mensen die vanuit Zuid-Europa de uitbuiting en de oorlog tegen de armen daar ontvlucht. Vanuit Portugal, Spanje, Zuid-Italië, Griekenland trekken weer talrijke mensen naar West- en Midden-Europa in de hoop hier een toekomst op te bouwen die hen in het zuiden ontzegd wordt. Vaak volgen zij daarbij de sporen van familie die al eerder, na de tweede wereldoorlog, als gastarbeider naar hier kwam om te werken in de mijnen of de zware industrie. Ook nieuwe migranten dus, maar toch anders dan zij die van buiten Europa komen. Voor de nieuwe Europese migranten geldt immers het vrij verkeer van personen binnen de EU; hun migratie is een vorm van intra-Europese mobiliteit.

Die vaststelling doet een aantal vragen rijzen voor beleidsmakers. Wat is de impact van een toestroom van hooggeschoolde, of van laaggeschoolde, Europese arbeidskrachten op de arbeidsmarkt? Hoe gaat gezinshereniging in het werk? Hoe spelen vereisten en verwachtingen rond inburgering en integratie een rol?

CeMIS , Centrum voor Migratie en Interculturele Studies aan Universiteit Antwerpen bracht een aantal auteurs en onderzoekers bij elkaar voor de bundel Intra-Europese migratie en mobiliteit. Andere tijden, nieuwe wegen? Uit de aankondiging van de uitgeverij:

“Ondanks de indrukwekkende omvang van intra-Europese migratiestromen kregen deze in België tot op heden slechts zeer geringe wetenschappelijke aandacht in vergelijking met de migratie van niet-Europeanen, oftewel derdelanders. Nochtans is het van vitaal belang dat de intra-Europese migratie een centrale plaats krijgt op de hedendaagse onderzoeksagenda. In de huidige politieke, economische en maatschappelijke context  worden intra-Europese migratie en mobiliteit met argusogen bekeken en moet het vrije verkeer van personen, één van de kernverwezenlijkingen van de Europese integratie, het steeds vaker ontgelden. Dit boek wil een genuanceerde en diepgaande stand van zaken bieden over (het onderzoek naar) de intra-Europese migratie en mobiliteit met een bijzondere focus op de Vlaamse en Belgische situatie.”

Ik werkte mee aan de bijdrage van Lieselot Vanduynslager en anderen: ‘Migratie- en integratietrajecten van Zuid-Europese migranten in Vlaanderen: Een kritische reflectie over intra-EU-mobiliteit en inburgering van EU-burgers versus niet-EU-burgers in beleidsperspectief’. Volgens de inleiding (p. 13) stellen de auteurs "de vraag welke migratie- en integratietrajecten Zuid-Europese burgers (ook deze van niet-Europese herkomst) in Vlaanderen doorlopen. In het bijzonder worden de mogelijke en effectieve migratienoden van Spaanse en Portugese nieuwkomers in Vlaanderen geëxploreerd. Daarbij wordt nagegaan in welke mate de vooropgestelde categorieën in de doelgroepen van het inburgeringsbeleid (volgens nationaliteit, duur en reden van verblijf) stroken met de feitelijke inburgeringstrajecten en reële integratienoden van de verschillende groepen nieuwkomers."

De tekst vind je als je de titel van dit stukje aanklikt; de titel van de bijdrage had ik zelf niet kunnen verzinnen.

Het stuk staat in Intra-Europese migratie en mobiliteit. Andere tijden, nieuwe wegen? (onder redactie van Christiane Timmerman, Rilke Mahieu, François Levrau, Dirk Vanheule), Universitaire Pers Leuven, 175-197.

 

De VN en drugs

Wie had dat verwacht? In Genève heeft de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties zopas een hele reeks aanbevelingen gedaan ter verdediging van mensenrechten in het internationale systeem van drugscontrole en -bestrijding. Daarmee gaat hij regelrecht in tegen het jarenlange beleid van UNODC, het United Nations Office on Drugs and Crime, dat ook in Genève zijn hoofdkwartier heeft.

De Hoge Commissaris is de Jordaanse prins Zeid Ra’ad Zeid Al-Hussein, en de omslag zou niet alleen te maken hebben met Al-Husseins engagement voor de mensenrechten, maar ook met de groeiende druk van Latins-Amerikaanse staten. Die ondergaan immers op grote schaal de verwoestende effecten van het prohibitionistische beleid.

De zestien pagina’s van de nota van Al-Hussein maken alvast qua terminologie het verschil. Sinds decennia kon in teksten van de Verenigde Naties uitsluitend sprake zijn van ‘drug abuse’. Nu blijkt dat drugs ook gewoon kunnen gebruikt worden. Verder bepleit Al-Hussein onder meer: de volledige depenalisering van de persoonlijke consumptie van psychotrope middelen, zonder onderscheid te maken tussen lichte of ‘hard drugs’; alternatieven voor vrijheidsberoving in het geval van verdachten met verslavingsproblemen; een verbod op gedwongen onthouding met het oog op bekentenissen of informatie; volledige, en niet uitsluitend dreigende, informatie aan jongeren inzake drugsgebruik; het aanvaarden van het traditioneel of gewijd gebruik van bepaalde illegale stoffen; een duidelijk verbod op de doodstraf in het geval van misdrijven die te maken hebben met de consumptie van of handel in verboden middelen; en hoe dan ook het bevorderen van harm reduction als algemeen beleid.

De aanbevelingen van Al-Hussein komen niet echt uit de lucht vallen. Al jaren wordt er op institutioneel niveau binnen de Verenigde Naties druk uitgeoefend om af te stappen van het desastreuze beleid van prohibitionisme. Maar ook op kleinere schaal, in gemeenten, regio’s en deelstaten in Latijns-Amerika, de Verenigde Staten en Europa zie je pogingen om op een normale manier om te gaan met mensen die verboden roesmiddelen willen consumeren. Dat is niet alleen een kwestie van mensenrechten, maar ook van puur pragmatisme en goed bestuur.

De nota wordt op 28 september besproken tijdens de dertigste zitting van de VN-Raad voor de mensenrechten.

Sacré Coeur

 

Vrijheidsstraf

In het laatste nummer van Fatik, het ‘tijdschrift voor strafbeleid en gevangeniswezen’ van de Liga voor Mensenrechten (nr. 146, binnenkort op http://www.mensenrechten.be/index.php/site/archief/tvmr_fatik), maakt Tom Daems een analyse van Het Justitieplan van minister Geens (http://www.koengeens.be/justitieplan). Hij besteedt vooral aandacht aan Geens’ plannen voor een hervorming van (de uitvoering van) de straffen. Die zijn te vinden in het derde hoofdstuk ‘Efficiënte aanpak van criminaliteit en onveiligheid’.

Voordat men Geens verderop in zijn tekst zou kunnen gaan verdenken van vertrouwdheid met criminologische inzichten, of zelfs van idealisme, heeft hij in het eerste hoofdstuk al laten berekenen hoe duur dat hele gevangeniswezen wel is, en wat statistisch gezien één gedetineerde kost per jaar. Voor de 11.501 gedetineerden die op 16 februari 2015 geteld werden, zou dat gemiddeld 48.519 euro per persoon per jaar zijn. Daems schrijft: “… het zijn toch vooral budgettaire kopzorgen die de nieuwbakken reductionistische koers inluiden.” (Opmerkelijk overigens: van die 11.501 gedetineerden zitten er 36% in voorlopige hechtenis. Die zijn, met andere woorden, -nog- niet schuldig aan enig strafbaar feit.)

Toch vind je in Het Justitieplan formuleringen terug die rechtstreeks verwijzen naar wat strafrechthervormers en criminologen al sinds de jaren 1970 bepleiten. Zo wordt vermeld dat het strafrecht “zijn juiste plaats toegewezen krijgt in het geheel van normhandhavende mechanismen”. Er moet minder gestraft worden, en minder strafbaar gesteld. In paragraaf 94 staat: “Het aantal strafbepalingen wordt verminderd en vereenvoudigd. Alleen de inbreuken die écht strafwaardig worden beschouwd omdat de door het misdrijf geschonden belangen dermate fundamenteel zijn voor het algemeen belang en omdat voor de slachtoffers herstel niet mogelijk is via andere wegen, komen nog voor de strafrechter. Zo wordt het strafrecht tot haar (sic) kerntaak teruggebracht, namelijk de bestraffing van de ernstige inbreuken. Andere onwenselijke gedragingen worden administratief of waar mogelijk zelfs zuiver burgerrechtelijk afgehandeld.” Horen wij daar in de verte Louk Hulsman nog roepen?

Nu is er wel wat af te dingen op de administratiefrechtelijke afhandeling van ‘onwenselijke gedragingen’. De perikelen rond de gemeentelijke administratieve sancties (GAS) getuigen daarvan. Anderzijds opent dit in theorie perspectief voor de bezitters van op dit ogenblik verboden roesmiddelen. Schendt het bezit van een joint belangen die “dermate fundamenteel zijn voor het algemeen belang”? En als het bezit van illicit drugs voor eigen gebruik beschouwd wordt als een victimless crime, voor welk slachtoffer moet er dan herstel gezocht worden?

Een positief punt in Het Justitieplan, waar ook Tom Daems op wijst, is de mentaliteitsomslag in verband met het zogenaamde cellentekort. “Het cellentekort wordt immers hertaald naar een gedetineerdenoverschot: de detentiepopulatie moet duurzaam onder de 10.000 gedetineerden gebracht worden.” Met andere woorden: er zijn niet te weinig cellen, er zijn te veel gevangenen. Al in de jaren 1980 pleitte o.m. de Nederlandse Coornhert-liga voor deze benadering. Een samenleving moet duidelijk maken wat het maximum aandeel van de bevolking is dat zij desnoods, en als ultieme remedie, opgesloten wil zien.  Daems schrijft nog: “De minister heeft geen hoge pet op van de vrijheidsstraf. In het Justitieplan wordt verwezen naar de vrijheidsstraf als ‘de meest punitieve en sociaal ontregelende straf, die de beoogde herintegratie van de veroordeelde het meest bemoeilijkt.’

Dit elementaire inzicht in het karakter van de vrijheidsstraf is nog niet doorgedrongen tot de correctionele rechtbank van Gent, geloof ik. Als je de Standaard van 14 juli mag geloven, heeft een rechter daar een 23-jarige Nederlander, die in mei een valse bommelding pleegde, veroordeeld tot achttien maanden cel, waarvan de helft met uitstel. Nu was die dader al niet al te snugger. Hij deed de bommelding met zijn mobiele telefoon; een kind weet dat je dan onmiddellijk op te sporen bent. Bovendien, zei de rechter, “zijn er antisociale persoonlijkheidskenmerken en een gebrek aan probleeminzicht”.

Ja, dan helpen negen maanden in mensonterende omstandigheden in een stinkende cel. Dat zal de antisociale persoonlijkheidskenmerken van deze sukkel zeker ten goede komen. De minister heeft nog werk voor de boeg met zijn mentaliteitswijziging.

 

Slavoj Žižek en de fundamentalisten

Na de moordpartij bij Charlie Hebdo heeft ook de Sloveense filosoof Slavoj Žižek zijn licht laten schijnen op de verhouding tussen L’islam e la modernità. Het boekje (pamflet) kreeg als ondertitel Riflessioni blasfeme, maar dat godslasterlijke valt nogal mee.

Žižek  is zeker niet de enige die zich vandaag verzet tegen de opvatting dat het ‘moslimfundamentalisme’ gewoon een dogmatische lezing is van de voorschriften uit de koran. Immers, ook wat vandaag beschouwd wordt als een ‘dogmatische’ benadering, is de vrucht van culturele, politieke en sociale contingentie. Met ander woorden, de ‘dogmatische’ koraninterpretatie van vandaag is een uitdrukking van de hedendaagse tijdgeest.

Islamfundamentalisme moet volgens hem begrepen worden als een reactie op de processen van globalisering en de culturele, politieke en sociale transformaties die daardoor veroorzaakt zijn. Dan gaat het vooral om de mislukking van de ‘modernisering’ in de ex-kolonies, en het failliet van de liberale multiculturele samenlevingen in het Westen. In Afrika en de Arabische landen leidt dat tot een reactie tegen het Europese en VSAmerikaanse kapitalisme; in Europa tot een crisis van de sociale integratiemechanismen. Voor  Žižek is het ‘moslimfundamentalisme’ dan ook een wezenlijk onderdeel van de globaliseringsmechanismen die het dictaat van de markteconomie wereldwijd willen opleggen. (Denk Foucault: macht en verzet constitueren elkaar.) Als politiek project is het namelijk een poging om zelf vorm te geven aan die globalisering, zonder deze als principe in vraag te stellen. In die zin doen fundamentalistische bewegingen niet meer of niet minder dan een deel opeisen van de wereldwijde koek van natuurlijke en geproduceerde rijkdommen. Niet een tegenstander van het wereldwijde kapitalisme, maar een protagonist, in concurrentie met vele andere.

Dat kan ik allemaal volgen, maar dan gaat Žižek enigszins uit de bocht, lijkt mij. Voor hem zijn de verschillende vormen van moslimfundamentalisme enerzijds en het liberale multiculturalisme anderzijds twee kanten van dezelfde medaille van onderdrukking. Dat het multiculturele liberalisme een vorm van “wereldomvattende kapitalistische zelfkolonisatie” is, en de ideologie van de mensenrechten vooral een instrument voor de instandhouding van de kapitalistische status quo, is een van zijn stokpaardjes. Voor de gemakkelijkheid vergeet hij dan echter wel dat, hoe onvolkomen dat multiculturalisme en die mensenrechten ook zijn, zij tenminste het principe erkennen van kritisch denken over de productie en de verdeling van die globale rijkdom. Sterker nog: als het moslimfundamentalisme een uiting is van de strijd om de wereldwijde koek, dan is het juist in liberale samenlevingen dat de mogelijkheid bestaat om een kritisch vertoog en maatschappelijke alternatieven te ontwikkelen die ingaan tegen onderdrukking en de private toe-eigening van rijkdom. In die zin laat de “repressieve tolerantie van het multiculturele liberalisme” (Žižek) tenminste nog de mogelijkheid open om te denken over alternatieven, vrijheid en culturele – zelfs religieuze – diversiteit.

Voetbal!

Nu voetbal weer eens volop in de aandacht staat in de media (de opvolging van Sepp Blatter, de wijze waarop Qatar een of ander wereldkampioenschap binnenhaalde, betwist management in de Belgische voetbalbond, …) is het misschien goed tegenover al dit negatiefs eens een positief alternatief te plaatsen. Bijvoorbeeld de twaalf regels om een zwart-en-rood voetbaltornooi te organiseren.

  1. Alle gewone regels van het voetbal gelden, behalve wanneer uitzonderingen overeengekomen worden.
  2. Alle regels die tijdens het tornooi gelden kunnen gewijzigd worden tijdens de dagelijkse algemene vergadering van de ploegafgevaardigden.
  3. Gedurende een wedstrijd heeft elke ploeg even veel spelers. Het aantal is afhankelijk van de grootte van het terrein (in zaal, of op het strand, of in een stadion …) of kan overeengekomen worden voor de wedstrijd in onderling overleg tussen de ploegen en de scheidsrechter.
  4. De ploegen zijn gemengd, maar alle spelers van een zelfde ploeg dragen een truitje of een ander kenmerk dat hen onderscheidt van de andere ploeg.
  5. Gedurende de wedstrijd kunnen onbeperkt spelers vervangen worden, maar spelers mogen niet van ploeg wisselen.
  6. De buitenspelregel kan opgeheven worden, afhankelijk van de grootte van het terrein, of na onderling overleg tussen de ploegen en de scheidsrechter vóór de wedstrijd.
  7. Elke vrijwillige overtreding wordt gestraft met een strafschop, gelijk waar op het terrein de overtreding plaatsvond.
  8. Gevaarlijk spel, spelbederf of verbale agressie wordt gestraft met onmiddellijke uitsluiting uit de wedstrijd, of zelfs uit het tornooi, indien de algemene vergadering dat besluit. Een tackle wordt beschouwd als gevaarlijk spel.
  9. Spelhervattingen kunnen gebeuren met de voeten of met de handen, afhankelijk van hoe voor de wedstrijd is afgesproken.
  10. De duur van de wedstrijden wordt vastgesteld aan het begin van het tornooi (2x45 minuten, of 2x20, of 3x12, mogelijkheden zat). Twee ploegen kunnen ook voorafgaand aan hun wedstrijd, in overleg met de scheidsrechter, hierop een uitzondering maken.
  11. De scheidsrechter wordt gezamenlijk door de twee ploegen gekozen. Hij/zij is de enige die tijdens de match de regels kan doen toepassen. Alleen op verzoek van de twee ploegen kan de arbiter tijdens de match vervangen worden. De scheidsrechter heeft geen macht; zijn/haar functie is te bemiddelen tussen de ploegen om de vrijwillig overeengekomen spelregels te handhaven.
  12. Die ploegt ‘wint’, die het meeste doelpunten of het mooiste doelpunt heeft gescoord. Die keuze moet voor het begin van de wedstrijd gemaakt worden. Maar uiteindelijk is er geen ‘winnaar’ of ‘verliezer’, en dus ook geen eindklassement.

Deze regels zijn geïnspireerd op Les douze règles pour organiser un tournoi international de foot noir et rouge, gepubliceerd in Le monde libertaire.

 

Syndicate content