carceri d'invenzione 2

 

Tussen spektakel en discipline

Herinner je: de twee edities van Piranesi’s Carceri d’invenzione verschijnen in 1745 en 1761. In 1757 wordt Damiens terechtgesteld, de gruwelijke executie waarmee Michel Foucault Surveiller et punir inleidt. En dan in snel tempo: Cesare Beccaria’s Dei delitti e delle pene 1764, John Howard met zijn verslag over The State of the Prisons in England and Wales 1777; Jeremy Bentham met Panopticon; Or, the Inspection-House 1791, en in 1802 Panopticon versus New South Wales. Deze geschriften markeren de overgang van de straf als spektakel naar de straf als disciplinering. Of, zoals Aldous Huxley schrijft, de overgang van chaos naar een regime van ordelijkheid en efficiëntie; “from being sub-humanly anarchical, prisons became sub-humanly mechanical”. Enzensberger vat het zo samen: “Een eeuw die aan bevrijding denkt en tegelijk over gevangenissen fantaseert.”

Is het gek te veronderstellen dat de dood van Damiens een van de laatste stuiptrekkingen is van een justitieel tijdperk dat je nu het klassieke zou noemen, vlak voor de overgang naar een nieuw tijdperk, de moderne tijd/moderniteit? Het oude regime kende een veelheid van straffen, die voor een groot deel als civiel werden beschouwd (geldboete, verbeurdverklaring, het schavot, de bedevaart, verbanning). Op veel plaatsen was het opsluiten ter bestraffing geen optie; wanneer een civiele straf niet mogelijk of gewenst was, legden de schout en later de rechtbank lijfstraffen op. Het arsenaal aan lijfstraffen waaruit men in Antwerpen kon kiezen tussen de vijftiende en het eind van de achttiende eeuw omvatte verminking, geseling, brandmerken, de brandstapel, ophanging, vierendeling, onthoofding, radbraken, verdrinking in de ketel en levend begraven. Twee belangrijke kenmerken hadden dit soort straffen in het klassieke tijdperk gemeen: zij vonden plaats door een ingrijpen op het lichaam, en het spektakel van de wreedheid moest de macht van de soeverein tonen. Hoe meer de vorst aan het eind van de achttiende eeuw aan macht verliest, des te wilder slaat hij om zich heen. Hoe dan zijn macht nog demonstreren? Door de ander absoluut en met groot vertoon te vernietigen.

De Amerikaanse en Franse revoluties, de uitvinding van de stoommachine, de denkers van de Verlichting (Spinoza, Newton, Kant, Rousseau, …) zetten de klassieke vertogen over macht, waarheid en subject op losse schroeven.  In het klassieke mens- en wereldbeeld is er plaats  voor een almachtige vorst, die de vertegenwoordiger is van god op aarde, en die heerst over een grote groep machteloze onwetenden, die hij kan straffen om zijn macht te demonstreren. De nieuwe opvattingen beschouwen mensen als rationele en verantwoordelijke burgers, die zelf via het sociale contract de macht uitoefenen, en die devianten in relatieve onzichtbaarheid, haast als een gewone administratieve daad, leren hoe zich te gedragen. Er is niet langer sprake van één ondeelbare en totale schuld (reden voor de tortuur), maar van bestraffing aangepast aan het delict en aan het schuldige individu.

Tegelijk vindt een verschuiving plaats van de plek waar de schuldige getekend wordt: niet langer door verminking van het lichaam bij de uitvoering van de straf, maar al eerder, bij het openbare proces en vonnis. Daar vindt nu de stigmatisering plaats. Zelfs de doodstraf wordt steeds meer –tot vrijwel totaal – verborgen. Straf is voortaan niet langer spektakel aan het lichaam, maar de onzichtbare disciplinering van de ziel. Natuurlijk grijpt de opsluiting nog in op het lichaam, maar niet meer als straf op zich, maar juist om het individu van een recht of een vrijheid te beroven. Of in de woorden van Foucault: “En face des prisons ruinées, grouillantes, et peuplées de supplices que gravait Piranèse, le Panopticon fait figure de cage cruelle et savante. »

Piranesi’s Carceri kan je beschouwen als een interpretatie van het spektakel van de straf. ‘Spektakel’ is hier niet bedoeld in de zin van de Internationale Situationniste. De politieke dimensie, de opgelegde passiviteit waardoor individuen de toeschouwers worden van hun eigen leven, is uiteraard aanwezig; dat is eigen aan vrijwel elk gevangenissysteem. Maar spektakel is hier zowel beschrijving als metafoor: een overbluffend schouwspel. En dan wijkt het spektakel dat Piranesi toont enigszins af van het klassieke spektakel van de straf.

Om te beginnen is het gezichtspunt van dit spektakel niet dat van de machthebber die zijn wil demonstreert en zijn glorie ten toon spreidt; die machthebber zie je niet. Piranesi staat op de plek van de toeschouwer die overweldigd wordt – maar door wie, dat weten we niet. Het spektakel van een gevangenis is overigens niet noodzakelijk gebonden aan de architecturale kenmerken van het gebouw. Als er al een gevangenis is die voor mij spektakelwaarde had, dan gaat het eerder om het tegendeel van de klassieke kerkers: Penitentiaire inrichting De Schie, in Rotterdam. Het complex is zo’n dertig jaar geleden ontworpen door Carel Weeber, ruim, licht, kleurrijk, 286 individuele cellen, gelegen aan de rand van Rotterdam, te midden van water, groen, lucht en ruimte. Voorafgaand aan de ingebruikname in 1989, heb ik samen met studenten criminologie een kleine week ‘proefgedraaid’ als gedetineerde.  Dat was pas terneerdrukkend spektakel. Het was een koude, zonnige lente. De cellen waren licht, ruim en schoon. Ik had een stapeltje boeken meegenomen om mijn dagen in opsluiting nuttig door te brengen. Ik heb, geloof ik, amper wat gelezen. Ik was de hele tijd moe, koud en gedeprimeerd. Ik had zelfs geen zin om te luchten; ik heb overwegend geslapen. Het eten was smerig; als je de bewaking belde, kwam er geen reactie. Dat was voor mij het spektakel van de gevangenis: de machteloosheid en hulpeloosheid van de individuele gedetineerde tegenover de omvang van het gebouw en het onmenselijke van de bewakingsbureaucratie – en dan was ik er nog maar als vrijwilliger voor een week.

Het is duidelijk dat bij Piranesi de gebouwen, de ruimtelijke constructies van de gevangenissen niets te maken hebben met de werkelijke kerkers, zoals hij die zowel in zijn eigen tijd, als in de Romeinse antiquiteit had kunnen zien. De kerkers van de oudheid waren in veel gevallen gewoon vergeetputten; niks geen overbluffend schouwspel van enorme ruimten, wel benauwde stinkende cellen waar de gevangenen letterlijk wegrotten. Maar de gevangenissen van zijn eigen tijd waren al niet veel beter. Enkele jaren geleden was ik in Nottingham voor de conferentie Penal Law, Abolitionism and Anarchism. We bezochten in Shire Hall de oude Nottingham Gaol, die ook al in gebruik was in de tijd van Piranesi. Wat was ik onder de indruk van die kerkers – niet zozeer door de gids haar uitbeelding van de detentieomstandigheden, maar puur door de fysieke benauwdheid duisternis kilte stank vocht van de onderaardse cellengangen.

In de etsen van Piranesi vindt het spektakel amper plaats aan het lichaam. De imaginaire kerkers zijn overwegend de coulissen van de straf; eigenlijk zijn de ruimten zelf het spektakel. Fatma Ipek  Ek en Deniz Şengel wijzen erop dat de grenzeloosheid van de ruimten een afscheid van de klassieke vormtaal uitdrukt. Piranesi’s tekeningen vertonen een chaos die de antithese vormt van het classicisme. Zelfs waar de ruimtelijke constructie een klassieke structuur aanneemt, zijn het vaak het lage perspectief en het spel van licht en schaduw die de aandacht vestigen op de menselijke en historische puinhoop. Overigens was het in de late achttiende eeuw een veel voorkomende tekentechniek de menselijke figuren te verkleinen om zo de grootsheid van de ruimtelijke decors te benadrukken.

In de Carceri d’invenzione toont Piranesi wel reeds het verval van het klassieke systeem van de straf als spektakel, maar nog niet het opkomende alternatief van Bentham: een perfect efficiënte gevangenis, gericht op cleane disciplinering en het verpletterende besef dat je onderdeel bent van een onaantastbare machine.

 

communisme 2

 

Op zijn blog gaat Jan Blommaert in op aantijgingen vanwege ene Maarten Boudry. Die maakten blijkbaar deel uit van een commentaar van de man over de verwerpelijkheid van het communisme in het algemeen, en van de Belgische Partij van de Arbeid (PVDA/PTB) in het bijzonder. In ieder geval begint de tekst van Blommaert zo: ‘Het is de grote verdienste van Maarten Boudry (samen met Rik Torfs, Bart De Wever, Gwendolyn Rutten en nog wat anderen) dat hij met een zo zwak beargumenteerde reeks aantijgingen over een “besmet verleden” de PVDA de kans heeft geboden absolute klaarheid te scheppen in haar houding tegenover het archaio-communisme dat ze in een vorige generatie als model aanzag.’

Toevallig zag ik eind vorig jaar een fragment van een of ander tv-programma waarin een confrontatietje leek te zitten tussen Peter Mertens van de PVDA en Rik Torfs (mediafiguur en rector van de Katholieke Universiteit Leuven). In de periode van de rectorverkiezingen verdedigde Torfs over de universiteit wel eens stellingen, die mij zeker aanstonden: voor de herwaardering van fundamenteel onderzoek en onderwijs, en tegen de evolutie om de academie te zien als een hogere beroepsschool ten dienste van het bedrijfsleven. Wat dat programma concreet heeft opgeleverd, is mij niet duidelijk – en daar gaat het hier ook niet om.

In de tv-uitzending beschuldigde een grimmige Torfs Mertens ervan een communist te zijn, en dus een fan van Stalin, Pol Pot en Noord-Korea. Mertens leek even niet te weten hoe te reageren, en zei na een korte stilte: “Wij zijn marxisten van de 21ste eeuw.” Dat kan zijn, maar wat is er mis met de term ‘communist’?

Al bijna dertig jaar staat communisme niet meer voor het politieke systeem van de Sovjet-Unie of Albanië, of voor de dictatuur van het proletariaat – behalve dan bij historici die dat ‘archaio-communisme’ bestuderen, of voor politici die denken met die term tegenstanders in diskrediet te kunnen brengen.

Ik heb er al eerder over geschreven op deze website: de term communist wordt al geruime tijd gekoppeld aan het actief bevorderen, verdedigen en uitbreiden van de commons (het gemeengoed, les biens communs, i beni communi). In een andere tekst schreef ik: De commons staat dan voor “the shared substance of our social being whose privatization is a violent act which should also be resisted with violence, if necessary”. Het gaat om ‘cognitief’ kapitaal (taal, communicatie en opvoeding), de gedeelde infrastructuur van o.m. openbaar vervoer, elektriciteit en post, natuurlijke bronnen die bedreigd worden door vervuiling en ontginning, maar ook de biogenetische erfenis van de mensheid. “It is this reference to ‘commons this substance of productivity which is neither private nor public – which justifies the resuscitation of the notion of communism.” Denk ook aan schone lucht en water, onderwijs en cultuur, pleinen en bossen, mobiliteit, kennis of energie. Zij zijn common goods omdat zij vanzelfsprekend ter beschikking moeten staan van alle mensen, en hun waarde alleen maar kan uitgedrukt worden in negatieve termen, door het gemis dat ontstaat wanneer zij niet meer ter beschikking staan. En zo gaat het erom dat diegenen van en voor wie de maatschappelijke goederen zijn, wij allen dus, als burgers, de bevoegdheid terug moeten nemen om zelf te beslissen hoe wij die goederen, diensten en waarden zullen beheren. Dat is voor velen de hedendaagse betekenis van communisme.

Het is niet aan mij om Peter Mertens voor te schrijven of hij zich als ‘marxist van de 21ste eeuw’ of als communist voorstelt. Maar ik denk dat je je tegenwoordig heel goed communist kan noemen, als je toelicht wat dat begrip nu inhoudt. Opkomen voor het belang en de verdediging van het gemeengoed is een zeer legitiem, maatschappelijk verantwoord, en steeds breder gedragen politiek doel.

Toch is er iets dat me bij de PVDA nog wel doet denken aan het archaïsche communisme: de toenemende personencultus rond de leiders Peter Mertens en Raoul Hedebouw. In die zin is de iconografie van de partij zeer ouderwets. Geen nummer van maandblad Solidair zonder afbeelding van een kapitalist met hoge hoed en dikke sigaar; en ook de identificatie van de partij met haar twee lachende voormannen komt mij zo langzamerhand de strot uit. Maar verder: weinig mis met hedendaags communisme, lijkt mij.

 

carceri d'invenzione 1

“Je vergist je; wat deze afbeeldingen laten zien, zijn geen monumenten. Het zijn onderaardse kerkers; want dit inwendige van steen heeft geen buitenkant. De muren zijn ondoordringbaar. [-] Maar wie hier gevangen gehouden wordt en waarom, dat weten we niet.

[-]

Nee, dit is geen gevangenis. Dit moet een werkplaats zijn. Hier wordt gewerkt. Je mag die grote werktuigen niet over het hoofd zien, die lierhijskranen, hefbruggen en schragen. Kranen bewegen zich heen en weer in deze hallen, kettingen knarsen, en er draaien haspels en raderen. Ginds glimt een vuur, rook stijgt omhoog. Het lijkt wel of dit een smederij is. Alleen die spijkers daar zijn moeilijk te plaatsen, die staken; en die houten stellages daarginds – we weten niet of het steigers zijn of schavotten.”

Dat schrijft Hans Magnus Enzensberger in G.B.P. (1720-1778), een van de ‘zevenendertig balladen uit de geschiedenis van de vooruitgang’, die hij verzamelde in de bundel Mausoleum[1]. Die geschiedenis van de vooruitgang wordt weergegeven aan de hand van 37 figuren, alle blank, bemiddeld, goed opgeleid en man, die samen een beeld vormen van de talloze tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in de collectieve mythe van de westerse vooruitgang. G.B.P. staat voor Giovanni Battista Piranesi, de Venetiaanse ambachtsman die zich in het midden van de achttiende eeuw in Rome ontwikkelde tot een invloedrijk graveur, archeoloog, kunsthandelaar en architect. De fragmenten hierboven verwijzen naar Piranesi’s serie etsen Carceri d’invenzione.

De imaginaire kerkers van Piranesi hebben al vaker een metaforische betekenis gekregen. Dat was niet alleen zo bij bijvoorbeeld romantische dichters uit de negentiende eeuw, maar ook bij kritische criminologen of componist Brian Ferneyhough aan het einde van de twintigste eeuw. Achttiende-eeuwse prenten van een gevangenis, die niet eens echt bestaat, maar verzonnen is – zonder verklaring door de maker. Wat zie je dan in die platen, welke betekenissen kan je er aan geven, en welke perspectieven bieden zij? En als zij een metafoor voor iets zijn, hoe werkt dat dan, en waartoe leidt het?

Van thuis uit krijgt de jonge Giovanni Battista Piranesi zowel de theoretische en historische bagage, als de praktische vaardigheden mee voor een leven in de architectuur en de bouw. Later verdiept hij zich in de techniek van theaterbouw en van hydraulische machines, en tijdens zijn opleiding als etser volmaakt hij zich in het tekenen van perspectief en van theaterdecors. Wanneer hij in 1740 voor het eerst in Rome arriveert, komt hij meteen terecht in een culturele wereld die in de ban is van de recente ontdekkingen van Romeinse architectuur uit de keizertijd. Piranesi raakt gefascineerd door de restanten en ruïnes van de antieke bouwwerken. Plots komt alles samen: zijn persoonlijke belangstelling voor architectuurgeschiedenis en -theorie, zijn kunde om met een uitzonderlijk gevoel voor ruimte, perspectief en licht landschappen en toneelmachines te tekenen – en de groeiende markt van toeristen die als aandenken aan hun bezoek van Rome etsen willen meenemen waarop hun ideaalbeeld van de antieke stad staat weergegeven. Zo komt het dat  hij tussen 1740 en 1745 onder meer de bundels Prima Parte di Architetture, e Prospettive  en Varie vedute di Roma Antica e Moderna publiceert. (Ik vertel dit hier allemaal kort, omdat antieke architectuur, perspectief en licht bepalende factoren zijn in zijn etsen van denkbeeldige gevangenissen.)

Piranesi begint ook capricci (caprice, Spielerei, grillige verzinsels) te maken, imaginaire landschappen en constructies, die allerlei cryptische, symbolische of allegorische figuren tonen. Zo ontstaat in 1745 de eerste serie denkbeeldige gevangenissen, de Invenzioni Capricciose di Carceri. (In de Prima Parte  zat al eerder één kerker, met het onderschrift Carcere oscura con Antenna pel Suplizio de’ malfatori. Sonvi da lungi le Scale, che conducono al piano e vi si vedeno pure all’intorno altre chiuse carceri.) Zo’n vijftien jaar later, in 1761, zal hij een bewerkte en uitgebreide versie van deze etsen op de markt brengen. Er zijn nu twee nieuwe tekeningen toegevoegd. De reeks telt uiteindelijk zestien platen, inbegrepen een titelpagina, van elk ruim 40 op 50 cm, liggend en staand. De serie heet nu Carceri d’invenzione (verzonnen kerkers). De oorspronkelijke etsen zijn donkerder geworden, voller ook en veel dreigender. Dat donkere kan deels te maken hebben met slijtage van de originele koperplaten, maar Piranesi heeft de tekeningen ook veel drukker gemaakt. De arceringen zijn intenser, hij heeft details toegevoegd, er is meer te zien. De ruimten zijn voller gestouwd met muren zuilen houten verbindingsbogen trappen instrumenten. Die instrumenten zijn overigens niet allemaal noodzakelijk foltertuigen. Ook Enzensberger lijkt te twijfelen of de apparaten die hij ziet, nu gewone werktuigen zijn die elke bouwvakker of metser kent en gebruikt, of toch marteltuigen.

Wat meteen opvalt, is dat de gevangenissen geen realistische bouwwerken zijn. De trappen breed of smal vormen vaak constructies zoals je ze later in de tekeningen van M. C. Escher zal terugvinden: niemand weet waar ze naartoe leiden, als ze tenminste niet bij zichzelf weer uitkomen. Ook de muren zelf leiden nergens heen; de ruimten hebben geen grens aan de beeldrand. De constructie zou buiten beeld oneindig kunnen doorlopen. Als er ergens iets als een zoldering is, is dat eerder de vloer van een hogere verdieping. De kijker wordt als het ware uitgenodigd om door het beeld te lopen, de trappen op en af te gaan, over de balkons en open overlopen de afgrond in te kijken, de duizelingwekkende arcaden te doorkruisen en op zoek te gaan naar waar dit onoverzichtelijke labyrint toe leidt. De mens is verloren in deze monumentale oneindigheid; op een enkele uitzondering na, zijn de menselijke figuren slechts homunculi ergens in de verte. Enzensberger schrijft: “Hoewel er licht in deze kerker valt – moeilijk te zeggen waar het vandaan komt –, schijnt hij onder de grond te liggen, en vanuit de schietgaten en vanaf de tinnen daarboven, die erg ver weg zijn, staren wachters zo klein als insecten naar de gevangenen.” Bij mij komt het beeld op van een van mijn absoluut favoriete schilderijen, Pieter Brueghel’s Toren van Babel in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

Wordt vervolgd



[1] vertaling Peter Nijmeijer

 

 

een anarchistisch experiment in koerdistan

 

Op 27 november vierde de PKK (Partiya Karkerên Kurdistan) haar 38ste verjaardag. Nou ja, vieren? De Koerdische Arbeiderspartij is op dit ogenblik op veel fronten in oorlog. In Syrië en Irak zijn haar troepen (met onder andere het vrouwenleger YJA-Star) verwikkeld in de onoverzichtelijke strijd die er woedt om grondgebied en invloed; in Turkije moet men zich meer dan ooit verdedigen in de oorlog die het regime-Erdogan voert tegen de partij en de Koerden in het algemeen.

Westerse media noemen de PKK nog steeds een terroristische en/of marxistisch-leninistische organisatie (in ieder geval iets wat ze als verwerpelijk beschouwen), maar in de gebieden waar de Koerdische Arbeiderspartij behoorlijk invloed heeft,  bouwt zij al geruime tijd aan een maatschappij die gebaseerd is op ideeën van ‘democratisch confederalisme’ of ‘libertair municipalisme’. Ik was verbaasd toen ik die termen terugvond in reportages over Koerdistan in Le monde diplomatique en ROAR magazine. Wie zou ooit de communistische terreurorganisatie van de besnorde duivel Öcalan in verband brengen met de inzichten van uitgerekend Murray Bookchin – een van de belangrijke theoretici van gedecentraliseerd zelfbeheer en sociale ecologie?

Het is blijkbaar in zijn Turkse gevangenis (waar hij levenslang uitzit) dat Abdullah Öcalan het werk van de oude anarchist Murray Bookchin leerde kennen – uitgerekend in een periode dat deze, op het einde van zijn leven (hij stierf in 2006), begon de hoop op te geven ooit nog zijn idee van sociale ecologie verwezenlijkt te zien. Maar Öcalan, die de onbetwiste leider was/is van de PKK, zag wel wat in een maatschappijvisie die het idee van de natiestaat opgaf, en in ruil zou gaan voor een basisdemocratische, pluriforme en ecologische confederatie van alle volkeren van het Midden-Oosten. Na de Koerdische Arbeiderspartij stapten sinds 2005 ook de Syrische PYD (de Koerdische Democratische Unie Partij) en de Iranese  PJAK (Partij voor vrij leven in Koerdistan) in dit internationalistische project.

Tegenover het marxistische concept van klasse, is voor Bookchin hiërarchie het centrale begrip om maatschappijstructuren te doorgronden. ‘Klasse’ is voor hem te economistisch; het begrip verwijst te veel naar het bezit van eigendom en de controle over en de exploitatie van arbeid. Hiërarchie is dan een veel subtieler begrip, beter geschikt om machtsverhoudingen in de samenleving te begrijpen, omdat het ook rekening houdt met biologische factoren als leeftijd, geslacht en verwantschap, of sociale gegevens als etnische achtergrond, nationale afkomst en bureaucratische controle. Hiërarchische verhoudingen zijn de machtsverhoudingen die hij wil uitschakelen.

Het maatschappijmodel dat Bookchin voor ogen staat is dan eerder libertair, niet in de individualistisch-egoïstische zin die men in de Verenigde Staten aan het begrip geeft, maar eerder refererend aan de negentiende-eeuwse Europese anarchisten,  die streefden naar een nieuwe manier om democratisch zowel de productiemiddelen als het gemeengoed (de commons) te beheren. Hij noemt zijn model municipalistisch, omdat burgers zelf, via een systeem van assemblees, de controle uitoefenen over het beheer van publieke zaken. En het is confederalistisch, omdat het solidariteit, samenwerking en wederzijdse hulp nastreeft tussen gemeenschappen. Bookchin’s maatschappijmodel wijkt uiteindelijk niet fundamenteel af van de ideeën die Bakunin en andere negentiende-eeuwse anarchisten daarover onderhielden (zie bijvoorbeeld ‘2. Classic anarchism’ in   Subsidiarity, anarchism, and the governance of complexity). In die zin is het dus een heel ander confederalisme dan wat de N-VA voorstaat; dat van Bookchin is gericht op het delen van kennis, kunde en mogelijkheden, eerder dan op egoïsme en het afschermen van de eigen rijkdom.

Bookchin sluit het gebruik van geweld niet uit. Om de sociaalecologische samenleving te verdedigen zal men desnoods een beroep moeten kunnen doen op volksmilities; voorbeelden vindt hij bij de Machnovsjtsjina oftewel het Zwarte Leger in Oekraïne (1918-1921) of de Catalaanse arbeiders- en boerenmilities uit de burgeroorlog (1937). Ook de Mexicaanse Zapatistas vormen een bron van inspiratie.

Aan het eind van zijn leven was Murray Bookchin te ziek om de evolutie van de PKK actief te volgen, maar zijn weduwe, Janet Biehl, trok wel naar Koerdistan om ter plekke de werking van de gemeentelijke assemblees en hun confederale samenwerking te bestuderen. Zij publiceerde er herhaaldelijk over in boeken en op haar website. Ook het artikel The new PKK: unleashing a social revolution in Kurdistan beschrijft meer in detail de sociale ecologie van Bookchin en de manier waarop zij gestalte krijgt in Koerdistan. Kantons als Djezireh, Kobani of Afrin hebben een federale administratieve structuur opgebouwd, waarbij afgevaardigden van de lokale volksassemblees beslissen over zaken als defensie, gezondheidszorg, onderwijs of sociaal beleid. De volksassemblees zelf regelen autonoom hun landbouw- en energiebeleid vanuit een coöperatief en ecologisch standpunt. Binnen die raden en assemblees wordt ook de niet-Koerdische bevolking betrokken (jezidi’s, alevieten, Armeniërs, Turkmenen, enzovoort). Toch kan ook Janet Biehl niet verhullen dat zich problemen voordoen, zoals klimaatverandering, waarvoor op dit ogenblik basisdemocratisch confederalisme geen antwoord kan bieden. Daarvoor kan men volgens haar op dit ogenblik niet buiten de natiestaten.

 

Een ding is echter meteen duidelijk: het problematische om binnen een natiestaat als Turkije,  met de formele structuren van representatieve democratie, vormen van directe democratie uit te bouwen. Terwijl Koerdische politieke partijen via het parlement streefden naar meer autonomie voor hun regio’s, werden daar aan de basis alvast structuren van basisdemocratie opgezet. Zo was het althans tot voor kort. Sinds de ‘mislukte coup’ van juli 2016  en de daarop volgende gelukte staatsgreep van Erdogan, is van de Koerdische aanwezigheid in het parlement weinig meer over, en is de oorlog tegen de Koerden weer in alle hevigheid losgebarsten. Ook in Syrië kan de dreiging weer groter worden, als het regime van president Assad er in slaagt weer meer controle over het grondgebied te heroveren. Het blijft overigens de vraag of de Turkse en Syrische regimes ooit  autonome multiculturele niet-hiërarchisch georganiseerde basisdemocratische regio’s zouden aanvaarden op wat zij beschouwen als hun grondgebied.

Dit stuk verscheen ook op Salon van Sisyphusmet een reactie van Tom Ronse: 'De vlag dekt de lading niet'.

flikkerlig: arbeidersklasse

 

"Consumenten en gebruikers zijn een deel van de arbeidersklasse geworden" door het simpele feit dat zij schaduwwerk verrichten dat waarde creëert voor bedrijven. “Denk daarbij aan self-service tankstations, de zelfassemblage van IKEA-meubels, thuiswerk, werken tijdens de reistijd, het reinigen van je afval voordat je het weggooit, geldautomaten, zelfscanning in de supermarkten, de cultuur van onbetaalde stages, incheckmachines op luchthavens, kaartautomaten in de metro-, trein- en busstations, …” Door tijd te investeren die buiten de warencultuur anders zou worden gebruikt, verminderen consumenten de ‘loonsom’ van de bedrijven, zodat deze hun winst verhogen.

Christian Fuchs, ‘Een kritiek van Post Kapitalisme, een gids voor de toekomst van Paul Mason’, Marxistische Studies 115

lompenproletariaat

 

Lompenproletariaat. Aan dat concept moest ik steeds vaker denken, naargelang ik meer commentaren en analyses las over het volk achter Trump en de Brexit. Een volk dat uitgebuit wordt en zich bedreigd voelt en dat, in plaats van zich te verzetten tegen zijn uitbuiters, een andere heerser (nou ja, een andere marionet) kiest, die hen net zo erg, zo niet erger, zal misbruiken. Uit heel wat commentaren blijkt overigens dat die kiezers ook wel weten en verwachten dat zij bedrogen zullen worden; wat die berusting compenseert, is blijkbaar de geboden mogelijkheid om ongegeneerd te trappen naar wie anders of zwakker is of het nog moeilijker heeft. Na de triomfen van de N-VA de afgelopen jaren, heb ik inmiddels wel een beeld van de rancune en de wraak van het volk uit de randgemeenten, voor wie in de woorden van Gaea Schoeters, “intellectueel een scheldwoord is, expertise iets om je voor te schamen en cultuur gesubsidieerd profitariaat”. En dan zwijg ik nog van het onversneden racisme dat zelfbewust de boventoon voert in de riolen van de sociale media.

Maar al gauw bleek natuurlijk dat het niet zo simpel is.

De term ‘lompenproletariaat’  is in de eerste plaats verbonden met Karl Marx’ studie De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte uit 1852. Hij toont zich zeker niet van zijn beminnelijkste kant, wanneer hij het daar heeft over “aan lager wal geraakte roués (gluiperds) met bestaansmiddelen van twijfelachtige aard en van twijfelachtige herkomst, verlopen en avontuurlijke gedeclasseerde elementen uit de bourgeoisie, vagebonden, ontslagen soldaten, ontslagen tuchthuisboeven, weggelopen galeislaven, oplichters, goochelaars, lazzaroni (nietsnutten), zakkenrollers, charlatans, spelers, maquereaus (pooiers), bordeelhouders, sjouwers, schrijvelaars, orgeldraaiers, voddenrapers, scharenslijpers, ketelboeters, bedelaars, kortom heel de ondefinieerbare, onsamenhangende, heen en weer geworpen massa die de Fransen la Bohème noemen.” In het Communistisch  Manifest van 1848 werd het lompenproletariaat al even genoemd als “deze lijdelijke verrotting van de onderste lagen van de oude maatschappij”. De afkeer van Marx en Engels van deze mensen had vooral te maken met het feit dat zij zich lieten organiseren in knokploegen om de militante arbeiders (het revolutionaire industrieproletariaat, in de ogen van M&E) te terroriseren. In tegenstelling tot voor Bakoenin bijvoorbeeld, zullen voor Friedrich Engels deze kleine marginale overlevers (“dit corrupte en schaamteloze tuig”) altijd bij de ergste vijanden horen.

Met die beschrijving voor ogen, gaat het gebruik van de term ‘lompenproletariaat’ voor de Brexiteers of voor de kiezers van Trump of de N-VA natuurlijk niet meer op. Zeker bij de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten kwamen de werkelijk berooiden en marginalen zelfs niet meer voor in het spel – tenzij als (toekomstige) slachtoffers. Wat wel rest, is dat een factie van de heersende klasse erin geslaagd is een groot deel van de bevolking zo op te jutten dat het in blinde razernij foert zegt tegen iedereen die en al wat niet is zoals zij. Natuurlijk zijn er ook tal van opportunisten die hun kans schoon zagen om zich zelf op de plaats van de oude machthebbers te wrikken (denk maar aan al de overlopers van VLD en Vlaams Belang), maar de overgrote meerderheid van het volk dat achter de populistische demagogen aanliep, komt vroeg of laat tot de vaststelling dat zij opnieuw (of nog steeds) de klos zijn.

Soms denk ik dan: nou, ze hebben het zelf gezocht, dat volk, afgestompt en gehersenspoeld door de hele dag met een literbeker cola en een zak chips bij de hand naar de onophoudelijke stroom bagger op de treurbuis te gapen. In het weekend kunnen ze dan voor de afwisseling  wat dieren  (of elkaar) gaan afknallen met een beroep op het Second Amendment.

En toch. Plots stuit ik – stom toeval – op een brief van Nils Christie uit december 1994. Christie was in die tijd hoogleraar Criminologie aan de universiteit van Oslo, en samen met Louk Hulsman een van de belangrijkste inspirators van de wereldwijde beweging voor strafrechtelijk abolitionisme. Hij was iemand voor wie ik lang het grootste respect had. Nils en ik hebben een jaar of drie regelmatig gecorrespondeerd over de zaken waar wij mee bezig waren, en die brief uit 1994 eindigt hij zo: “As you can think, the whole nation has only one interest these days; the Referendum which kept us out of the EU. I am personally very happy about this result – a revolt against the political establishment. Our Prime Minister wants desperately another nation.”

Los van wat men mag vinden van EU-lidmaatschap (toen of nu), wat mij vandaag verbaast is die motivering: a revolt against the political establishment. Was dat voor een verstandig en kritisch man als Nils Christie een voldoende grond voor een politiek standpunt of zelfs engagement? Maakt het niet uit wat je wil bereiken met je verzet tegen de gevestigde orde? Is elk verzet gelegitimeerd, zelfs als het resultaat nefast is? (Waarbij ik de vraag over wel of niet EU-lidmaatschap even buiten beschouwing laat.) Is verzet pas zinvol als je een alternatief voorhanden hebt? Of kan je al aan verzet beginnen, en hopen dat het alternatief zich gaandeweg ontwikkelt? Maar vooral: wat moet je vandaag, hier en zo stilaan overal, met dat lompenproletariaat-dat-er-geen-is, maar dat je wel bedreigt – niet alleen theoretisch, maar in de dagelijkse praktijk van sociale media, huisvesting, tewerkstelling, verblijfsrecht, inkomen, cultuur, de openbare ruimte, …?

 

minder boeven?

Zopas verscheen in Nederland het rapport Criminaliteit en rechtshandhaving 2015. Wat blijkt daaruit? De geregistreerde criminaliteit is afgenomen ten opzichte van 2014, ook het aantal verdachten is verminderd, maar er zijn wel meer strafzaken afgehandeld bij de rechter.

Vergeleken met 2007 is het aantal geregistreerde misdrijven met 26 procent gedaald, tot nu zo’n 960.000 in 2015. Van vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde werd zelfs nog maar half zo veel geregistreerd. Anderzijds blijkt dat toch zo’n twintig procent van de Nederlanders ouder dan vijftien het slachtoffer werd van vandalisme, vermogens- of geweldsdelicten. Vermogensdelicten, geweld en seksuele misdrijven waren in 2015 goed voor zowat de helft van de strafzaken. Tegenover 2007 werden in 2015 43 procent minder verdachten geregistreerd (toch nog altijd 196.000 personen, goed voor zo’n 284.000 strafbare feiten); bij de minderjarigen telt men nu nog 22.000 verdachten tegen 53.000 toen.

De Rechtspraak behandelde in 2015 zo’n 102.000 strafzaken; dat is vijf procent meer dan in 2014, maar toch nog bijna twintig procent minder dan in 2007. Het OM handelde zo’n 205.000 zaken af. Van de verdachten die voor de rechter kwamen werd 87 procent schuldig bevonden. De rechters spraken minder straffen uit, en dat was ook het geval bij de sancties die politie en Openbaar Ministerie oplegden. Wel werden meer vrijheidsstraffen opgelegd, maar voor gemiddeld een kortere tijd dan in 2007. Het aantal opgelegde boetes daalde.

Telt Nederland nu zo langzamerhand minder boeven dan tien jaar geleden? Het zou kunnen. Niet dat de mensen daarom ‘beter’ geworden zijn; boef word je, doordat vastgesteld wordt dat je een strafbaar feit heb begaan. Minder strafbare feiten, minder boeven; minder vaststellingen, eveneens minder boeven. Zeer veel regelgeving wordt in de praktijk overwegend niet gehandhaafd, en een zeer groot aantal overtredingen wordt gewoon niet opgemerkt. Bij het gros van de verkeersovertredingen, winkeldiefstallen, heling, sluikstorten, vernielingen en vandalisme en nog veel meer kan de overheid niet optreden omdat deze overtredingen niet worden aangemeld, ontdekt of anderszins geregistreerd. Het Centraal Bureau voor de Statistiek geeft enigszins cryptisch aan:  “Het aantal geregistreerde misdrijven is mede afhankelijk van de opsporing van zogenoemde slachtofferloze delicten, waaronder drugshandel. Het is niet bekend welk deel van de criminaliteit niet zichtbaar is in de registraties.”

Wat uit deze cijfers dus – evident – niet blijkt is het totale aantal misdrijven. Sinds jaar en dag laten alle slachtofferenquêtes in (post-)industriële  landen zien dat veel meer misdrijven niet worden aangemeld dan wel. Het zogenaamde dark number is meestal vele malen hoger dan de geregistreerde criminaliteit. Een oud voorbeeld: in 2004 werden in België 33.394 fietsdiefstallen bij de politie aangegeven en geregistreerd. Grootschalig bevolkingsonderzoek leerde echter dat slechts in 37,65 % van de diefstallen aangifte werd gedaan. Omgerekend zou dat betekenen dat er dat jaar zo’n 88.700 fietsen waren gestolen.

Wat uit deze cijfers ook niet blijkt, is hoeveel van die 960.000 wel geregistreerde misdrijven opgehelderd werden (waarbij er dus een dader werd vastgesteld). Uiteindelijk kwamen er samen bij OM en Rechtspraak zo’n 307.000 zaken terecht. Dat is ongeveer een derde van de geregistreerde feiten. Zijn dat alle zaken waarbij een dader werd gevonden? Waarschijnlijk niet; er zijn ook zaken die door het OM geseponeerd worden, bijvoorbeeld omdat het andere prioriteiten voor vervolging heeft, omdat de toestand rond het delict is intussen geregulariseerd, of omdat het gaat  om een misdrijf van ‘relationele aard’ of met beperkte maatschappelijke weerslag (bv. omdat de schade al vergoed is).

Wat dit laatste betreft, en ook wat betreft de daling in de strafmaat, kan je je afvragen wat het effect daarbij was van de experimenten met bemiddeling in strafzaken. In die zin is het opvallend dat vanaf 1 november mediation in strafzaken zou zijn stopgezet. Ik herneem hieronder het bericht op rechtspraak.nl.

Mediation in strafzaken, waar sinds 3 jaar mee wordt geëxperimenteerd, is voorlopig van de baan. Verzoeken om bemiddeling tussen slachtoffer en verdachte die al waren aangemeld worden afgehandeld, maar voor nieuwe doorverwijzingen is geen geld meer. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft geen vervolgfinanciering aangekondigd voor de pilots, die tot 1 november lopen.

Wat hielden de pilots in?

Bij 6 rechtbanken (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Noord-Holland, Oost-Brabant, Zeeland-West-Brabant) was het tot vandaag mogelijk om strafzaken door te verwijzen naar de mediator. Dat houdt in dat de rechter, officier van justitie of advocaat kan voorstellen dat slachtoffer en verdachte in een bepaalde zaak om tafel gaan, begeleid door een mediator. Voorwaarden zijn dat beide partijen het willen en dat de verdachte verantwoordelijkheid nam voor zijn aandeel in de gebeurtenissen. De betrokkenen krijgen dan de gelegenheid om te bespreken wat er is gebeurd en hoe ze dat hebben beleefd. Ook kunnen ze afspraken vastleggen, bijvoorbeeld over schadevergoeding of uit elkaars buurt blijven. Als de mediation is afgerond, gaat de strafzaak verder. De officier van justitie en de rechter houden dan rekening met de uitkomst van de bemiddeling. De straf kan lager uitpakken of zelfs achterwege blijven als de betrokkenen er samen zijn uitgekomen.

Wat is het nut van mediation in strafzaken?

Misdrijven veroorzaken problemen die vaak maar heel beperkt in een strafzaak kunnen worden opgelost. Bemiddeling tussen dader en slachtoffer kan in bepaalde gevallen wel helpen de schade te herstellen, blijkt uit onderzoek. Door het gesprek aan te gaan en zelf afspraken te maken over hoe het verder gaat, neemt het slachtoffer het heft weer in eigen hand. Gevoelens van angst en onmacht kunnen minder worden. Vragen kunnen stellen (waarom had je het op mij gemunt?) en ervaringen kunnen delen (dit heeft het voor mij betekend) is heilzaam voor de verwerking. De verdachte krijgt de gelegenheid spijt te betuigen en eventueel schade te vergoeden. Bovendien kan de bemiddeling verdere narigheid voorkomen, bijvoorbeeld in zaken tussen buurtgenoten of huiselijk geweld.

Hoe vaak leidt dat tot een goed resultaat?

Sinds het begin van de pilot in januari 2014 zijn tegen de 2.000 strafzaken doorverwezen naar de mediator. De delicten die voor bemiddeling in aanmerking komen zijn in die periode uitgebreid; ook in geweldszaken en ernstige verkeerszaken kan mediation worden ingezet. Van de 1105 zaken die door rechtbankmediators zijn behandeld, zijn er 644 daadwerkelijk gestart. Daarvan is 79 procent geslaagd.

Waarom stoppen de pilots dan?

De pilots zijn 2 keer verlengd en de verwachting was dat mediation in strafzaken juist uitgebreid zou worden naar andere rechtbanken. De minister heeft de Tweede Kamer vorig jaar na een evaluatie van de pilots laten weten dat hij de toepassing van mediation in het strafrecht wil voortzetten. Er is echter geen structurele financiering voor opgenomen in de begroting voor 2017. Een formele bevestiging van de afloop van de pilots is door het departement wel aangekondigd, maar tot op heden niet ontvangen.

Wat vindt de Rechtspraak daarvan?

Rechters vinden het stoppen van mediation zonder meer teleurstellend. De wet bepaalt dat het Openbaar Ministerie bemiddeling moet bevorderen en dat de rechter bij het opleggen van een straf rekening dient te houden met een geslaagde bemiddeling. Die wettelijke taak moet wel kunnen worden uitgevoerd. Bovendien zijn de rechters positief over hun ervaringen met de inzet van mediation in het strafrecht. Ze pleiten ervoor dit waardevolle instrument in het hele land in te zetten.”

Benieuwd wat de afschaffing van deze bemiddelingsprocedures voor gevolgen gaat hebben, zowel voor het aantal zaken dat tot bij de rechter gaat komen, als voor de opgelegde straffen. 

 

usa, november 8: cannabis

Op 8 november vinden in de Verenigde Staten niet alleen presidentsverkiezingen plaats. In verschillende staten worden ook de representatives en de senators verkozen. Verschillende staten maken van de gelegenheid gebruik om ook lokale mandatarissen te laten verkiezen, zoals de gouverneur of plaatselijke sheriffs, of om referenda te organiseren rond materies die elke staat zelf wettelijk kan regelen.

Zo houden op 8 november negen staten een referendum rond de legalisatie – in meer of mindere mate – van cannabis. Als de voorstanders het halen in Maine, Massachusetts, Nevada, Arizona of California, komt daar een regelgeving tot stand die gelijkt op die van Colorado. Daar is sinds 2014 het bezit van kleine hoeveelheden cannabis of van enkele planten geen misdrijf meer. Ook is het er sindsdien mogelijk om een staatsvergunning aan te vragen voor grootschalige teelt  of voor detailhandel. Florida, Arkansas, North Dakota en Oklahoma stemmen dan weer over de mogelijkheid van therapeutisch cannabisgebruik.

Hillary Clinton heeft al verklaard dat zij op dit terrein de politiek van Obama wil voortzetten: zich niet inlaten met het beleid van de afzonderlijke staten, en ze vrij laten om te experimenteren met vormen van legalisering. Op federaal niveau zou zij cannabis willen laten verwijderen uit de lijst van drugs met hoog risico. Donald Trump heeft ook al verklaard dat de federale overheid zich niet moet moeien met het beleid van afzonderlijke staten, maar zijn campagne wordt sterk gesteund door enkele hardliners in de war on drugs uit o.m. New Jersey, Indiana en Alabama. Zij willen elke versoepeling, ook op federaal niveau, uitsluiten.

Het debat is in de negen staten heftig gevoerd. De meeste grote kranten waren voorstander van een versoepeling of een vorm van legalisering, net zoals mensenrechtenorganisaties, vakbonden en bewegingen van Afro-Amerikanen. De antiprohibitionistische organisaties hebben zo’n 40 miljoen dollar geïnvesteerd in de verschillende campagnes, ongeveer de helft daarvan in California. Nieuw is dat een groot deel van de financiering uit de opkomende legale cannabissector komt. Dat leidt tot een imagoverschuiving waar niet iedereen gelukkig mee is. De originele legalise it bewegingen hadden vaak een vriendelijk politiek libertair tintje. Sommigen vrezen nu dat deze sfeer verdrongen gaat worden door de harde commerciële belangen van een industrie- en distributiesector in volle opkomst.

Maar los van deze overwegingen, kunnen de uitslagen op 8 november voor een domino-effect zorgen, waarbij niet alleen de federale wetgeving meer onder druk zou kunnen komen, maar dat ook het debat over het cannabisbeleid in andere staten, en in de rest van de wereld, een stap vooruit zou kunnen helpen.

 

Wallons, nous ne sommes pas seuls!

Een overzicht van de gemeenten en regio's die zich CETA- en TTIP-vrij hebben verklaard. Praktisch betekent het misschien weinig, maar het is in ieder geval een uiting van verzet.

 

oneerlijke regelgeving

Het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Canada (CETA) is onder meer “bedoeld om bedrijven te beschermen tegen oneerlijke regelgeving”. Die bijzondere arbitrageregeling is volgens De Standaard een van de ‘vijf pijlers’ van het verdrag. Oneerlijke regelgeving? Jawel, regelgeving in verband met arbeidsomstandigheden, minimumloon, consumenten- en milieubescherming, technische en kwaliteitscontroles, … kortom alle (nationale) regelgeving die een hinderpaal zou kunnen vormen voor de competitiviteit en maximaal winstbejag.

Er is nogal wat aandacht aan besteed, de afgelopen dagen: de goedkeuring van het Comprehensive Economic and Trade Agreement tussen de EU en Canada, gepland voor 27 oktober, dreigt in gevaar te komen door het verzet van twee Belgische miniparlementen. En effet, zowel het parlement van de Fédération Wallonie-Bruxelles (de Franse Gemeenschap) als dat van het Waalse gewest hebben officieel aangegeven dat wat hen betreft de Belgische regering geen toestemming krijgt om het  CETA goed  te keuren.

Waar gaat het om? In september 2014 ondertekenden de Europese Commissie en Canada, na zes jaar onderhandelen, een basisdocument dat de handel tussen de EU en Canada makkelijker zou maken. Het akkoord draait rond vier grote doelstellingen: de laatste douanetarieven (invoerrechten) tussen Canada en de EU opheffen; niet-tariefgebonden handelsbeperkingen uitschakelen (zoals technische, sociale, gezondheids- of milieunormen); de instelling van privaatrechtelijke arbitragecommissies voor de geschillen tussen bedrijven en staten; en de verdere privatisering van sectoren die nog niet voldoende aan de mechanismen van de markt en internationale concurrentie zijn onderworpen (zoals onderwijs, gezondheid, cultuur, …) De verdragstekst die op 29 februari 2016 bekend werd gemaakt omvat zo’n 1600 pagina’s, zonder inhoudsopgave. Een vrij ondoorgrondelijk kluwen dus, voor wie niet bij de onderhandelingen was betrokken.

Al snel werd duidelijk dat CETA (net als het voorgenomen soortgelijke verdrag met de Verenigde Staten, TTIP) een uitdrukking was van het meest rabiate neoliberalisme in de economie: alles wat je maar kan bedenken is een waar die verhandelbaar is, en dus winst kan opleveren; staten of overheden mogen geen belemmeringen opwerpen om het behalen van maximale winst te bemoeilijken; de sterkste partijen winnen het meest bij onbelemmerde marktwerking en concurrentie. Dat uitgerekend een Franstalig en een Waals clubje roet in het eten dreigen te gooien, wekt dan uiteraard de woede van het Vlaamse ondernemersdom en zijn politieke trawanten.

In hun krant van 19 oktober wordt bijvoorbeeld een hele pagina vrijgemaakt om, onder verwijzing naar anonieme ‘experts’, de lof te zingen van het vrijhandelsakkoord: “een sterk staaltje diplomatie en een mooie samenwerking”. Toch zijn er goede redenen om zich te blijven verzetten tegen de goedkeuring (in het Europees parlement, in de nationale parlementen) van CETA. Het Nederlandse GroenLinks heeft ze mooi samengevat.

1.        CETA beperkt de ruimte om beleid te maken in het algemeen belang. Het verdrag dwingt namelijk tot het opheffen van niet-tariefgebonden ‘handelsbelemmeringen’, zoals normen op het gebied van veiligheidstesten, of regels inzake de bescherming van arbeiders, consumenten of leefomgeving.

2.       CETA geeft het bedrijfsleven nog meer macht. Er zou namelijk een regulatory cooperation forum komen, dat wetgevende initiatieven beoordeelt nog voor er in de parlementen over gedebatteerd wordt. Met andere woorden, via zgn. technische discussies zouden bedrijven nog meer dan vandaag en officieel kunnen bepalen welke geplande (nationale) regelgeving acceptabel is of niet.

3.       CETA leidt tot afschrikwekkende claims van buitenlandse investeerders. Bedrijven zouden zich tot een nieuw te vormen arbitragecommissie kunnen wenden, wanneer zij vinden dat nationale regelgeving toch nog hun winst in het gedrang brengt. In De Standaard heet dat: “Die arbitrage … is bedoeld om bedrijven te beschermen tegen oneerlijke regelgeving.”

4.       De onzekere en beperkte economische voordelen wegen niet op tegen de risico’s. Volgens de Vlaamse ondernemersorganisaties en hun politieke vertegenwoordigers is het verzet van de Walen en de Franstaligen een smerige truc om Vlaanderen tegen te werken, aangezien de meeste handel met Canada vanuit Vlaamse bedrijven gebeurt. Nochtans is er meer in het algemeen wel serieuze twijfel aan die economische voordelen (althans voor de bevolking). Ter voorbereiding van het CETA bestelde studies geven bijvoorbeeld een extra toename aan van het bruto binnenlands product van 0,03 tot 076% voor Canada en van 0,003 tot 0,08% voor de EU. Niet bepaald indrukwekkend. Sterker nog, twee economen, verbonden aan de Verenigde Naties en aan Universiteit Delft, hebben twee scenario’s uitgewerkt voor wat CETA over zeven jaar zou kunnen opleveren voor de EU. Zij komen tot een schatting van 204.000 verdwenen arbeidsplaatsen en een algemene daling van de salarissen in naam van de internationale ‘competitiviteit’. Alleen de aandeelhouders en investeerders van de grote multinationale ondernemingen zouden winnen bij deze herverdeling van de rijkdom.

5.       De zorgen over CETA zijn niet serieus genomen. De Europese Commissie schermt nu wel met een aanvullende interpreterende verklaring bij het verdrag, maar GroenLinks merkt op: “Door een verklaring toe te voegen aan een slecht verdrag wordt niet serieus omgesprongen met de zorgen van miljoenen Europeanen.” Inderdaad, het is natuurlijk niet zo dat alleen twee door de Parti Socialiste gedomineerde miniparlementen zich verzetten. CETA wordt algemeen gezien als een voorloper, of een test, of desnoods een paard van Troje voor TTIP, het grote vrijhandelsverdrag dat (de grote bedrijven uit) de EU en de VS zouden willen sluiten.  En het protest tegen deze twee instrumenten, die alleen ten dienste staan van de winsthonger van grote multinationale bedrijven, wordt wel degelijk breed gedragen, niet alleen in manifestaties, maar ook via allerlei organisaties en websites, internationaal en in België.

Het belangrijkste kenmerk van CETA is uiteindelijk dat onder de ideologie van de ongeremde vrije markt werkelijk alles wordt beschouwd als verhandelbare waren, die winst kunnen opleveren, zelfs als het gaat om immateriële zaken of menselijke basisbehoeften als intellectuele eigendom, databescherming, privacy of drinkwater en schone lucht, en dat om die winst te maximaliseren de bescherming van burgers, arbeiders, consumenten zoveel mogelijk moet geminimaliseerd worden. Elk verzet daartegen kan je eigenlijk alleen maar aanmoedigen. Dat de Parti Socialiste daarbij ook een spel speelt van binnenlandse politiek, moet je er maar gewoon bij nemen.

 

Syndicate content