een anarchistisch experiment in koerdistan

 

Op 27 november vierde de PKK (Partiya Karkerên Kurdistan) haar 38ste verjaardag. Nou ja, vieren? De Koerdische Arbeiderspartij is op dit ogenblik op veel fronten in oorlog. In Syrië en Irak zijn haar troepen (met onder andere het vrouwenleger YJA-Star) verwikkeld in de onoverzichtelijke strijd die er woedt om grondgebied en invloed; in Turkije moet men zich meer dan ooit verdedigen in de oorlog die het regime-Erdogan voert tegen de partij en de Koerden in het algemeen.

Westerse media noemen de PKK nog steeds een terroristische en/of marxistisch-leninistische organisatie (in ieder geval iets wat ze als verwerpelijk beschouwen), maar in de gebieden waar de Koerdische Arbeiderspartij behoorlijk invloed heeft,  bouwt zij al geruime tijd aan een maatschappij die gebaseerd is op ideeën van ‘democratisch confederalisme’ of ‘libertair municipalisme’. Ik was verbaasd toen ik die termen terugvond in reportages over Koerdistan in Le monde diplomatique en ROAR magazine. Wie zou ooit de communistische terreurorganisatie van de besnorde duivel Öcalan in verband brengen met de inzichten van uitgerekend Murray Bookchin – een van de belangrijke theoretici van gedecentraliseerd zelfbeheer en sociale ecologie?

Het is blijkbaar in zijn Turkse gevangenis (waar hij levenslang uitzit) dat Abdullah Öcalan het werk van de oude anarchist Murray Bookchin leerde kennen – uitgerekend in een periode dat deze, op het einde van zijn leven (hij stierf in 2006), begon de hoop op te geven ooit nog zijn idee van sociale ecologie verwezenlijkt te zien. Maar Öcalan, die de onbetwiste leider was/is van de PKK, zag wel wat in een maatschappijvisie die het idee van de natiestaat opgaf, en in ruil zou gaan voor een basisdemocratische, pluriforme en ecologische confederatie van alle volkeren van het Midden-Oosten. Na de Koerdische Arbeiderspartij stapten sinds 2005 ook de Syrische PYD (de Koerdische Democratische Unie Partij) en de Iranese  PJAK (Partij voor vrij leven in Koerdistan) in dit internationalistische project.

Tegenover het marxistische concept van klasse, is voor Bookchin hiërarchie het centrale begrip om maatschappijstructuren te doorgronden. ‘Klasse’ is voor hem te economistisch; het begrip verwijst te veel naar het bezit van eigendom en de controle over en de exploitatie van arbeid. Hiërarchie is dan een veel subtieler begrip, beter geschikt om machtsverhoudingen in de samenleving te begrijpen, omdat het ook rekening houdt met biologische factoren als leeftijd, geslacht en verwantschap, of sociale gegevens als etnische achtergrond, nationale afkomst en bureaucratische controle. Hiërarchische verhoudingen zijn de machtsverhoudingen die hij wil uitschakelen.

Het maatschappijmodel dat Bookchin voor ogen staat is dan eerder libertair, niet in de individualistisch-egoïstische zin die men in de Verenigde Staten aan het begrip geeft, maar eerder refererend aan de negentiende-eeuwse Europese anarchisten,  die streefden naar een nieuwe manier om democratisch zowel de productiemiddelen als het gemeengoed (de commons) te beheren. Hij noemt zijn model municipalistisch, omdat burgers zelf, via een systeem van assemblees, de controle uitoefenen over het beheer van publieke zaken. En het is confederalistisch, omdat het solidariteit, samenwerking en wederzijdse hulp nastreeft tussen gemeenschappen. Bookchin’s maatschappijmodel wijkt uiteindelijk niet fundamenteel af van de ideeën die Bakunin en andere negentiende-eeuwse anarchisten daarover onderhielden (zie bijvoorbeeld ‘2. Classic anarchism’ in   Subsidiarity, anarchism, and the governance of complexity). In die zin is het dus een heel ander confederalisme dan wat de N-VA voorstaat; dat van Bookchin is gericht op het delen van kennis, kunde en mogelijkheden, eerder dan op egoïsme en het afschermen van de eigen rijkdom.

Bookchin sluit het gebruik van geweld niet uit. Om de sociaalecologische samenleving te verdedigen zal men desnoods een beroep moeten kunnen doen op volksmilities; voorbeelden vindt hij bij de Machnovsjtsjina oftewel het Zwarte Leger in Oekraïne (1918-1921) of de Catalaanse arbeiders- en boerenmilities uit de burgeroorlog (1937). Ook de Mexicaanse Zapatistas vormen een bron van inspiratie.

Aan het eind van zijn leven was Murray Bookchin te ziek om de evolutie van de PKK actief te volgen, maar zijn weduwe, Janet Biehl, trok wel naar Koerdistan om ter plekke de werking van de gemeentelijke assemblees en hun confederale samenwerking te bestuderen. Zij publiceerde er herhaaldelijk over in boeken en op haar website. Ook het artikel The new PKK: unleashing a social revolution in Kurdistan beschrijft meer in detail de sociale ecologie van Bookchin en de manier waarop zij gestalte krijgt in Koerdistan. Kantons als Djezireh, Kobani of Afrin hebben een federale administratieve structuur opgebouwd, waarbij afgevaardigden van de lokale volksassemblees beslissen over zaken als defensie, gezondheidszorg, onderwijs of sociaal beleid. De volksassemblees zelf regelen autonoom hun landbouw- en energiebeleid vanuit een coöperatief en ecologisch standpunt. Binnen die raden en assemblees wordt ook de niet-Koerdische bevolking betrokken (jezidi’s, alevieten, Armeniërs, Turkmenen, enzovoort). Toch kan ook Janet Biehl niet verhullen dat zich problemen voordoen, zoals klimaatverandering, waarvoor op dit ogenblik basisdemocratisch confederalisme geen antwoord kan bieden. Daarvoor kan men volgens haar op dit ogenblik niet buiten de natiestaten.

 

Een ding is echter meteen duidelijk: het problematische om binnen een natiestaat als Turkije,  met de formele structuren van representatieve democratie, vormen van directe democratie uit te bouwen. Terwijl Koerdische politieke partijen via het parlement streefden naar meer autonomie voor hun regio’s, werden daar aan de basis alvast structuren van basisdemocratie opgezet. Zo was het althans tot voor kort. Sinds de ‘mislukte coup’ van juli 2016  en de daarop volgende gelukte staatsgreep van Erdogan, is van de Koerdische aanwezigheid in het parlement weinig meer over, en is de oorlog tegen de Koerden weer in alle hevigheid losgebarsten. Ook in Syrië kan de dreiging weer groter worden, als het regime van president Assad er in slaagt weer meer controle over het grondgebied te heroveren. Het blijft overigens de vraag of de Turkse en Syrische regimes ooit  autonome multiculturele niet-hiërarchisch georganiseerde basisdemocratische regio’s zouden aanvaarden op wat zij beschouwen als hun grondgebied.

 

flikkerlig: arbeidersklasse

 

"Consumenten en gebruikers zijn een deel van de arbeidersklasse geworden" door het simpele feit dat zij schaduwwerk verrichten dat waarde creëert voor bedrijven. “Denk daarbij aan self-service tankstations, de zelfassemblage van IKEA-meubels, thuiswerk, werken tijdens de reistijd, het reinigen van je afval voordat je het weggooit, geldautomaten, zelfscanning in de supermarkten, de cultuur van onbetaalde stages, incheckmachines op luchthavens, kaartautomaten in de metro-, trein- en busstations, …” Door tijd te investeren die buiten de warencultuur anders zou worden gebruikt, verminderen consumenten de ‘loonsom’ van de bedrijven, zodat deze hun winst verhogen.

Christian Fuchs, ‘Een kritiek van Post Kapitalisme, een gids voor de toekomst van Paul Mason’, Marxistische Studies 115

lompenproletariaat

 

Lompenproletariaat. Aan dat concept moest ik steeds vaker denken, naargelang ik meer commentaren en analyses las over het volk achter Trump en de Brexit. Een volk dat uitgebuit wordt en zich bedreigd voelt en dat, in plaats van zich te verzetten tegen zijn uitbuiters, een andere heerser (nou ja, een andere marionet) kiest, die hen net zo erg, zo niet erger, zal misbruiken. Uit heel wat commentaren blijkt overigens dat die kiezers ook wel weten en verwachten dat zij bedrogen zullen worden; wat die berusting compenseert, is blijkbaar de geboden mogelijkheid om ongegeneerd te trappen naar wie anders of zwakker is of het nog moeilijker heeft. Na de triomfen van de N-VA de afgelopen jaren, heb ik inmiddels wel een beeld van de rancune en de wraak van het volk uit de randgemeenten, voor wie in de woorden van Gaea Schoeters, “intellectueel een scheldwoord is, expertise iets om je voor te schamen en cultuur gesubsidieerd profitariaat”. En dan zwijg ik nog van het onversneden racisme dat zelfbewust de boventoon voert in de riolen van de sociale media.

Maar al gauw bleek natuurlijk dat het niet zo simpel is.

De term ‘lompenproletariaat’  is in de eerste plaats verbonden met Karl Marx’ studie De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte uit 1852. Hij toont zich zeker niet van zijn beminnelijkste kant, wanneer hij het daar heeft over “aan lager wal geraakte roués (gluiperds) met bestaansmiddelen van twijfelachtige aard en van twijfelachtige herkomst, verlopen en avontuurlijke gedeclasseerde elementen uit de bourgeoisie, vagebonden, ontslagen soldaten, ontslagen tuchthuisboeven, weggelopen galeislaven, oplichters, goochelaars, lazzaroni (nietsnutten), zakkenrollers, charlatans, spelers, maquereaus (pooiers), bordeelhouders, sjouwers, schrijvelaars, orgeldraaiers, voddenrapers, scharenslijpers, ketelboeters, bedelaars, kortom heel de ondefinieerbare, onsamenhangende, heen en weer geworpen massa die de Fransen la Bohème noemen.” In het Communistisch  Manifest van 1848 werd het lompenproletariaat al even genoemd als “deze lijdelijke verrotting van de onderste lagen van de oude maatschappij”. De afkeer van Marx en Engels van deze mensen had vooral te maken met het feit dat zij zich lieten organiseren in knokploegen om de militante arbeiders (het revolutionaire industrieproletariaat, in de ogen van M&E) te terroriseren. In tegenstelling tot voor Bakoenin bijvoorbeeld, zullen voor Friedrich Engels deze kleine marginale overlevers (“dit corrupte en schaamteloze tuig”) altijd bij de ergste vijanden horen.

Met die beschrijving voor ogen, gaat het gebruik van de term ‘lompenproletariaat’ voor de Brexiteers of voor de kiezers van Trump of de N-VA natuurlijk niet meer op. Zeker bij de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten kwamen de werkelijk berooiden en marginalen zelfs niet meer voor in het spel – tenzij als (toekomstige) slachtoffers. Wat wel rest, is dat een factie van de heersende klasse erin geslaagd is een groot deel van de bevolking zo op te jutten dat het in blinde razernij foert zegt tegen iedereen die en al wat niet is zoals zij. Natuurlijk zijn er ook tal van opportunisten die hun kans schoon zagen om zich zelf op de plaats van de oude machthebbers te wrikken (denk maar aan al de overlopers van VLD en Vlaams Belang), maar de overgrote meerderheid van het volk dat achter de populistische demagogen aanliep, komt vroeg of laat tot de vaststelling dat zij opnieuw (of nog steeds) de klos zijn.

Soms denk ik dan: nou, ze hebben het zelf gezocht, dat volk, afgestompt en gehersenspoeld door de hele dag met een literbeker cola en een zak chips bij de hand naar de onophoudelijke stroom bagger op de treurbuis te gapen. In het weekend kunnen ze dan voor de afwisseling  wat dieren  (of elkaar) gaan afknallen met een beroep op het Second Amendment.

En toch. Plots stuit ik – stom toeval – op een brief van Nils Christie uit december 1994. Christie was in die tijd hoogleraar Criminologie aan de universiteit van Oslo, en samen met Louk Hulsman een van de belangrijkste inspirators van de wereldwijde beweging voor strafrechtelijk abolitionisme. Hij was iemand voor wie ik lang het grootste respect had. Nils en ik hebben een jaar of drie regelmatig gecorrespondeerd over de zaken waar wij mee bezig waren, en die brief uit 1994 eindigt hij zo: “As you can think, the whole nation has only one interest these days; the Referendum which kept us out of the EU. I am personally very happy about this result – a revolt against the political establishment. Our Prime Minister wants desperately another nation.”

Los van wat men mag vinden van EU-lidmaatschap (toen of nu), wat mij vandaag verbaast is die motivering: a revolt against the political establishment. Was dat voor een verstandig en kritisch man als Nils Christie een voldoende grond voor een politiek standpunt of zelfs engagement? Maakt het niet uit wat je wil bereiken met je verzet tegen de gevestigde orde? Is elk verzet gelegitimeerd, zelfs als het resultaat nefast is? (Waarbij ik de vraag over wel of niet EU-lidmaatschap even buiten beschouwing laat.) Is verzet pas zinvol als je een alternatief voorhanden hebt? Of kan je al aan verzet beginnen, en hopen dat het alternatief zich gaandeweg ontwikkelt? Maar vooral: wat moet je vandaag, hier en zo stilaan overal, met dat lompenproletariaat-dat-er-geen-is, maar dat je wel bedreigt – niet alleen theoretisch, maar in de dagelijkse praktijk van sociale media, huisvesting, tewerkstelling, verblijfsrecht, inkomen, cultuur, de openbare ruimte, …?

 

minder boeven?

Zopas verscheen in Nederland het rapport Criminaliteit en rechtshandhaving 2015. Wat blijkt daaruit? De geregistreerde criminaliteit is afgenomen ten opzichte van 2014, ook het aantal verdachten is verminderd, maar er zijn wel meer strafzaken afgehandeld bij de rechter.

Vergeleken met 2007 is het aantal geregistreerde misdrijven met 26 procent gedaald, tot nu zo’n 960.000 in 2015. Van vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde werd zelfs nog maar half zo veel geregistreerd. Anderzijds blijkt dat toch zo’n twintig procent van de Nederlanders ouder dan vijftien het slachtoffer werd van vandalisme, vermogens- of geweldsdelicten. Vermogensdelicten, geweld en seksuele misdrijven waren in 2015 goed voor zowat de helft van de strafzaken. Tegenover 2007 werden in 2015 43 procent minder verdachten geregistreerd (toch nog altijd 196.000 personen, goed voor zo’n 284.000 strafbare feiten); bij de minderjarigen telt men nu nog 22.000 verdachten tegen 53.000 toen.

De Rechtspraak behandelde in 2015 zo’n 102.000 strafzaken; dat is vijf procent meer dan in 2014, maar toch nog bijna twintig procent minder dan in 2007. Het OM handelde zo’n 205.000 zaken af. Van de verdachten die voor de rechter kwamen werd 87 procent schuldig bevonden. De rechters spraken minder straffen uit, en dat was ook het geval bij de sancties die politie en Openbaar Ministerie oplegden. Wel werden meer vrijheidsstraffen opgelegd, maar voor gemiddeld een kortere tijd dan in 2007. Het aantal opgelegde boetes daalde.

Telt Nederland nu zo langzamerhand minder boeven dan tien jaar geleden? Het zou kunnen. Niet dat de mensen daarom ‘beter’ geworden zijn; boef word je, doordat vastgesteld wordt dat je een strafbaar feit heb begaan. Minder strafbare feiten, minder boeven; minder vaststellingen, eveneens minder boeven. Zeer veel regelgeving wordt in de praktijk overwegend niet gehandhaafd, en een zeer groot aantal overtredingen wordt gewoon niet opgemerkt. Bij het gros van de verkeersovertredingen, winkeldiefstallen, heling, sluikstorten, vernielingen en vandalisme en nog veel meer kan de overheid niet optreden omdat deze overtredingen niet worden aangemeld, ontdekt of anderszins geregistreerd. Het Centraal Bureau voor de Statistiek geeft enigszins cryptisch aan:  “Het aantal geregistreerde misdrijven is mede afhankelijk van de opsporing van zogenoemde slachtofferloze delicten, waaronder drugshandel. Het is niet bekend welk deel van de criminaliteit niet zichtbaar is in de registraties.”

Wat uit deze cijfers dus – evident – niet blijkt is het totale aantal misdrijven. Sinds jaar en dag laten alle slachtofferenquêtes in (post-)industriële  landen zien dat veel meer misdrijven niet worden aangemeld dan wel. Het zogenaamde dark number is meestal vele malen hoger dan de geregistreerde criminaliteit. Een oud voorbeeld: in 2004 werden in België 33.394 fietsdiefstallen bij de politie aangegeven en geregistreerd. Grootschalig bevolkingsonderzoek leerde echter dat slechts in 37,65 % van de diefstallen aangifte werd gedaan. Omgerekend zou dat betekenen dat er dat jaar zo’n 88.700 fietsen waren gestolen.

Wat uit deze cijfers ook niet blijkt, is hoeveel van die 960.000 wel geregistreerde misdrijven opgehelderd werden (waarbij er dus een dader werd vastgesteld). Uiteindelijk kwamen er samen bij OM en Rechtspraak zo’n 307.000 zaken terecht. Dat is ongeveer een derde van de geregistreerde feiten. Zijn dat alle zaken waarbij een dader werd gevonden? Waarschijnlijk niet; er zijn ook zaken die door het OM geseponeerd worden, bijvoorbeeld omdat het andere prioriteiten voor vervolging heeft, omdat de toestand rond het delict is intussen geregulariseerd, of omdat het gaat  om een misdrijf van ‘relationele aard’ of met beperkte maatschappelijke weerslag (bv. omdat de schade al vergoed is).

Wat dit laatste betreft, en ook wat betreft de daling in de strafmaat, kan je je afvragen wat het effect daarbij was van de experimenten met bemiddeling in strafzaken. In die zin is het opvallend dat vanaf 1 november mediation in strafzaken zou zijn stopgezet. Ik herneem hieronder het bericht op rechtspraak.nl.

Mediation in strafzaken, waar sinds 3 jaar mee wordt geëxperimenteerd, is voorlopig van de baan. Verzoeken om bemiddeling tussen slachtoffer en verdachte die al waren aangemeld worden afgehandeld, maar voor nieuwe doorverwijzingen is geen geld meer. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft geen vervolgfinanciering aangekondigd voor de pilots, die tot 1 november lopen.

Wat hielden de pilots in?

Bij 6 rechtbanken (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Noord-Holland, Oost-Brabant, Zeeland-West-Brabant) was het tot vandaag mogelijk om strafzaken door te verwijzen naar de mediator. Dat houdt in dat de rechter, officier van justitie of advocaat kan voorstellen dat slachtoffer en verdachte in een bepaalde zaak om tafel gaan, begeleid door een mediator. Voorwaarden zijn dat beide partijen het willen en dat de verdachte verantwoordelijkheid nam voor zijn aandeel in de gebeurtenissen. De betrokkenen krijgen dan de gelegenheid om te bespreken wat er is gebeurd en hoe ze dat hebben beleefd. Ook kunnen ze afspraken vastleggen, bijvoorbeeld over schadevergoeding of uit elkaars buurt blijven. Als de mediation is afgerond, gaat de strafzaak verder. De officier van justitie en de rechter houden dan rekening met de uitkomst van de bemiddeling. De straf kan lager uitpakken of zelfs achterwege blijven als de betrokkenen er samen zijn uitgekomen.

Wat is het nut van mediation in strafzaken?

Misdrijven veroorzaken problemen die vaak maar heel beperkt in een strafzaak kunnen worden opgelost. Bemiddeling tussen dader en slachtoffer kan in bepaalde gevallen wel helpen de schade te herstellen, blijkt uit onderzoek. Door het gesprek aan te gaan en zelf afspraken te maken over hoe het verder gaat, neemt het slachtoffer het heft weer in eigen hand. Gevoelens van angst en onmacht kunnen minder worden. Vragen kunnen stellen (waarom had je het op mij gemunt?) en ervaringen kunnen delen (dit heeft het voor mij betekend) is heilzaam voor de verwerking. De verdachte krijgt de gelegenheid spijt te betuigen en eventueel schade te vergoeden. Bovendien kan de bemiddeling verdere narigheid voorkomen, bijvoorbeeld in zaken tussen buurtgenoten of huiselijk geweld.

Hoe vaak leidt dat tot een goed resultaat?

Sinds het begin van de pilot in januari 2014 zijn tegen de 2.000 strafzaken doorverwezen naar de mediator. De delicten die voor bemiddeling in aanmerking komen zijn in die periode uitgebreid; ook in geweldszaken en ernstige verkeerszaken kan mediation worden ingezet. Van de 1105 zaken die door rechtbankmediators zijn behandeld, zijn er 644 daadwerkelijk gestart. Daarvan is 79 procent geslaagd.

Waarom stoppen de pilots dan?

De pilots zijn 2 keer verlengd en de verwachting was dat mediation in strafzaken juist uitgebreid zou worden naar andere rechtbanken. De minister heeft de Tweede Kamer vorig jaar na een evaluatie van de pilots laten weten dat hij de toepassing van mediation in het strafrecht wil voortzetten. Er is echter geen structurele financiering voor opgenomen in de begroting voor 2017. Een formele bevestiging van de afloop van de pilots is door het departement wel aangekondigd, maar tot op heden niet ontvangen.

Wat vindt de Rechtspraak daarvan?

Rechters vinden het stoppen van mediation zonder meer teleurstellend. De wet bepaalt dat het Openbaar Ministerie bemiddeling moet bevorderen en dat de rechter bij het opleggen van een straf rekening dient te houden met een geslaagde bemiddeling. Die wettelijke taak moet wel kunnen worden uitgevoerd. Bovendien zijn de rechters positief over hun ervaringen met de inzet van mediation in het strafrecht. Ze pleiten ervoor dit waardevolle instrument in het hele land in te zetten.”

Benieuwd wat de afschaffing van deze bemiddelingsprocedures voor gevolgen gaat hebben, zowel voor het aantal zaken dat tot bij de rechter gaat komen, als voor de opgelegde straffen. 

 

usa, november 8: cannabis

Op 8 november vinden in de Verenigde Staten niet alleen presidentsverkiezingen plaats. In verschillende staten worden ook de representatives en de senators verkozen. Verschillende staten maken van de gelegenheid gebruik om ook lokale mandatarissen te laten verkiezen, zoals de gouverneur of plaatselijke sheriffs, of om referenda te organiseren rond materies die elke staat zelf wettelijk kan regelen.

Zo houden op 8 november negen staten een referendum rond de legalisatie – in meer of mindere mate – van cannabis. Als de voorstanders het halen in Maine, Massachusetts, Nevada, Arizona of California, komt daar een regelgeving tot stand die gelijkt op die van Colorado. Daar is sinds 2014 het bezit van kleine hoeveelheden cannabis of van enkele planten geen misdrijf meer. Ook is het er sindsdien mogelijk om een staatsvergunning aan te vragen voor grootschalige teelt  of voor detailhandel. Florida, Arkansas, North Dakota en Oklahoma stemmen dan weer over de mogelijkheid van therapeutisch cannabisgebruik.

Hillary Clinton heeft al verklaard dat zij op dit terrein de politiek van Obama wil voortzetten: zich niet inlaten met het beleid van de afzonderlijke staten, en ze vrij laten om te experimenteren met vormen van legalisering. Op federaal niveau zou zij cannabis willen laten verwijderen uit de lijst van drugs met hoog risico. Donald Trump heeft ook al verklaard dat de federale overheid zich niet moet moeien met het beleid van afzonderlijke staten, maar zijn campagne wordt sterk gesteund door enkele hardliners in de war on drugs uit o.m. New Jersey, Indiana en Alabama. Zij willen elke versoepeling, ook op federaal niveau, uitsluiten.

Het debat is in de negen staten heftig gevoerd. De meeste grote kranten waren voorstander van een versoepeling of een vorm van legalisering, net zoals mensenrechtenorganisaties, vakbonden en bewegingen van Afro-Amerikanen. De antiprohibitionistische organisaties hebben zo’n 40 miljoen dollar geïnvesteerd in de verschillende campagnes, ongeveer de helft daarvan in California. Nieuw is dat een groot deel van de financiering uit de opkomende legale cannabissector komt. Dat leidt tot een imagoverschuiving waar niet iedereen gelukkig mee is. De originele legalise it bewegingen hadden vaak een vriendelijk politiek libertair tintje. Sommigen vrezen nu dat deze sfeer verdrongen gaat worden door de harde commerciële belangen van een industrie- en distributiesector in volle opkomst.

Maar los van deze overwegingen, kunnen de uitslagen op 8 november voor een domino-effect zorgen, waarbij niet alleen de federale wetgeving meer onder druk zou kunnen komen, maar dat ook het debat over het cannabisbeleid in andere staten, en in de rest van de wereld, een stap vooruit zou kunnen helpen.

 

Wallons, nous ne sommes pas seuls!

Een overzicht van de gemeenten en regio's die zich CETA- en TTIP-vrij hebben verklaard. Praktisch betekent het misschien weinig, maar het is in ieder geval een uiting van verzet.

 

oneerlijke regelgeving

Het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Canada (CETA) is onder meer “bedoeld om bedrijven te beschermen tegen oneerlijke regelgeving”. Die bijzondere arbitrageregeling is volgens De Standaard een van de ‘vijf pijlers’ van het verdrag. Oneerlijke regelgeving? Jawel, regelgeving in verband met arbeidsomstandigheden, minimumloon, consumenten- en milieubescherming, technische en kwaliteitscontroles, … kortom alle (nationale) regelgeving die een hinderpaal zou kunnen vormen voor de competitiviteit en maximaal winstbejag.

Er is nogal wat aandacht aan besteed, de afgelopen dagen: de goedkeuring van het Comprehensive Economic and Trade Agreement tussen de EU en Canada, gepland voor 27 oktober, dreigt in gevaar te komen door het verzet van twee Belgische miniparlementen. En effet, zowel het parlement van de Fédération Wallonie-Bruxelles (de Franse Gemeenschap) als dat van het Waalse gewest hebben officieel aangegeven dat wat hen betreft de Belgische regering geen toestemming krijgt om het  CETA goed  te keuren.

Waar gaat het om? In september 2014 ondertekenden de Europese Commissie en Canada, na zes jaar onderhandelen, een basisdocument dat de handel tussen de EU en Canada makkelijker zou maken. Het akkoord draait rond vier grote doelstellingen: de laatste douanetarieven (invoerrechten) tussen Canada en de EU opheffen; niet-tariefgebonden handelsbeperkingen uitschakelen (zoals technische, sociale, gezondheids- of milieunormen); de instelling van privaatrechtelijke arbitragecommissies voor de geschillen tussen bedrijven en staten; en de verdere privatisering van sectoren die nog niet voldoende aan de mechanismen van de markt en internationale concurrentie zijn onderworpen (zoals onderwijs, gezondheid, cultuur, …) De verdragstekst die op 29 februari 2016 bekend werd gemaakt omvat zo’n 1600 pagina’s, zonder inhoudsopgave. Een vrij ondoorgrondelijk kluwen dus, voor wie niet bij de onderhandelingen was betrokken.

Al snel werd duidelijk dat CETA (net als het voorgenomen soortgelijke verdrag met de Verenigde Staten, TTIP) een uitdrukking was van het meest rabiate neoliberalisme in de economie: alles wat je maar kan bedenken is een waar die verhandelbaar is, en dus winst kan opleveren; staten of overheden mogen geen belemmeringen opwerpen om het behalen van maximale winst te bemoeilijken; de sterkste partijen winnen het meest bij onbelemmerde marktwerking en concurrentie. Dat uitgerekend een Franstalig en een Waals clubje roet in het eten dreigen te gooien, wekt dan uiteraard de woede van het Vlaamse ondernemersdom en zijn politieke trawanten.

In hun krant van 19 oktober wordt bijvoorbeeld een hele pagina vrijgemaakt om, onder verwijzing naar anonieme ‘experts’, de lof te zingen van het vrijhandelsakkoord: “een sterk staaltje diplomatie en een mooie samenwerking”. Toch zijn er goede redenen om zich te blijven verzetten tegen de goedkeuring (in het Europees parlement, in de nationale parlementen) van CETA. Het Nederlandse GroenLinks heeft ze mooi samengevat.

1.        CETA beperkt de ruimte om beleid te maken in het algemeen belang. Het verdrag dwingt namelijk tot het opheffen van niet-tariefgebonden ‘handelsbelemmeringen’, zoals normen op het gebied van veiligheidstesten, of regels inzake de bescherming van arbeiders, consumenten of leefomgeving.

2.       CETA geeft het bedrijfsleven nog meer macht. Er zou namelijk een regulatory cooperation forum komen, dat wetgevende initiatieven beoordeelt nog voor er in de parlementen over gedebatteerd wordt. Met andere woorden, via zgn. technische discussies zouden bedrijven nog meer dan vandaag en officieel kunnen bepalen welke geplande (nationale) regelgeving acceptabel is of niet.

3.       CETA leidt tot afschrikwekkende claims van buitenlandse investeerders. Bedrijven zouden zich tot een nieuw te vormen arbitragecommissie kunnen wenden, wanneer zij vinden dat nationale regelgeving toch nog hun winst in het gedrang brengt. In De Standaard heet dat: “Die arbitrage … is bedoeld om bedrijven te beschermen tegen oneerlijke regelgeving.”

4.       De onzekere en beperkte economische voordelen wegen niet op tegen de risico’s. Volgens de Vlaamse ondernemersorganisaties en hun politieke vertegenwoordigers is het verzet van de Walen en de Franstaligen een smerige truc om Vlaanderen tegen te werken, aangezien de meeste handel met Canada vanuit Vlaamse bedrijven gebeurt. Nochtans is er meer in het algemeen wel serieuze twijfel aan die economische voordelen (althans voor de bevolking). Ter voorbereiding van het CETA bestelde studies geven bijvoorbeeld een extra toename aan van het bruto binnenlands product van 0,03 tot 076% voor Canada en van 0,003 tot 0,08% voor de EU. Niet bepaald indrukwekkend. Sterker nog, twee economen, verbonden aan de Verenigde Naties en aan Universiteit Delft, hebben twee scenario’s uitgewerkt voor wat CETA over zeven jaar zou kunnen opleveren voor de EU. Zij komen tot een schatting van 204.000 verdwenen arbeidsplaatsen en een algemene daling van de salarissen in naam van de internationale ‘competitiviteit’. Alleen de aandeelhouders en investeerders van de grote multinationale ondernemingen zouden winnen bij deze herverdeling van de rijkdom.

5.       De zorgen over CETA zijn niet serieus genomen. De Europese Commissie schermt nu wel met een aanvullende interpreterende verklaring bij het verdrag, maar GroenLinks merkt op: “Door een verklaring toe te voegen aan een slecht verdrag wordt niet serieus omgesprongen met de zorgen van miljoenen Europeanen.” Inderdaad, het is natuurlijk niet zo dat alleen twee door de Parti Socialiste gedomineerde miniparlementen zich verzetten. CETA wordt algemeen gezien als een voorloper, of een test, of desnoods een paard van Troje voor TTIP, het grote vrijhandelsverdrag dat (de grote bedrijven uit) de EU en de VS zouden willen sluiten.  En het protest tegen deze twee instrumenten, die alleen ten dienste staan van de winsthonger van grote multinationale bedrijven, wordt wel degelijk breed gedragen, niet alleen in manifestaties, maar ook via allerlei organisaties en websites, internationaal en in België.

Het belangrijkste kenmerk van CETA is uiteindelijk dat onder de ideologie van de ongeremde vrije markt werkelijk alles wordt beschouwd als verhandelbare waren, die winst kunnen opleveren, zelfs als het gaat om immateriële zaken of menselijke basisbehoeften als intellectuele eigendom, databescherming, privacy of drinkwater en schone lucht, en dat om die winst te maximaliseren de bescherming van burgers, arbeiders, consumenten zoveel mogelijk moet geminimaliseerd worden. Elk verzet daartegen kan je eigenlijk alleen maar aanmoedigen. Dat de Parti Socialiste daarbij ook een spel speelt van binnenlandse politiek, moet je er maar gewoon bij nemen.

 

plek-plek: depression

"Depressions are for the middle class; the rest of us have got an early start in the morning."

Stevie in Riff-Raff (Ken Loach, 1991)

gewapend bestuur

“Ik kan geen verdachte huizen sluiten, ik mag geen gsm’s laten afluisteren of iemand preventief laten aanhouden.”

Wie is ‘ik’? De burgemeester? De partijvoorzitter? Bart De Wever jammert dat hij geen ‘gewapend bestuur’ kan voeren.

Wat let hem? Laat hij een voorbeeld nemen aan Recep Tayyip Erdogan. Die is weliswaar president van Turkije – en dat is toch een ander kaliber dan Antwerpen of de N-VA –, maar je kan je voorbeeld beter groot nemen, en die Erdogan had tot voor kort ook niet de bevoegdheid om iedereen die hem stoort uit te schakelen. Nieuwe verkiezingen uitschrijven na een bomaanslag die je in de schoenen schuift van de belangrijkste oppositiebeweging, is in de huidige Belgische – of zelfs Vlaamse – context geen optie.

Maar een kleine ‘mislukte coup’ op het Kiel of in Borgerhout, waarom niet? Zijn inlichtingendienst moet het toch kunnen organiseren dat een stel dwaze jongens met wapens in de hand amok gaat lopen, wat auto’s in brand steekt en een politiebureau bekogelt? Die opstand kan hij dan met geweld neerslaan; zijn politie beschikt sinds dit jaar over oorlogswapens. Meteen kan dan ook de pers aan banden gelegd worden – voor zo ver dat nog nodig is – om apologie van het terrorisme te voorkomen. Subsidies aan middenveldorganisaties kunnen nu echt helemaal ingetrokken worden. Bij de gemeentelijke diensten, media, onderwijs, maatschappelijk werk, zelfs de politie, kan men de noodzakelijke ‘zuiveringen’ doorvoeren. Eigenlijk zou men meteen ook de rechterlijke macht moeten kunnen zuiveren van die slapjanussen en paljassen die blijven lullen over grondrechten, democratische waarden en rechtswaarborgen. In ieder geval, verdachte huizen sluiten, gsm’s afluisteren of mensen preventief aanhouden, daarbij zullen zij niet meer kunnen dwarsliggen.

Zo’n ‘mislukte coup’ is toch ideaal voor het instellen van een systeem van permanente noodtoestand en gewapend bestuur? Het zal ‘de Vlaming van wie het bloed kookt’ (schijnt het) een hart onder de riem steken. Hoe lang is het eigenlijk nog tot de volgende verkiezingen?

Burgemeester? Partijvoorzitter? Sultan! Dat is pas een mooie functie.

 

LEGALIZZIAMO!

Legaliseer de teelt, de verwerking en de verkoop van cannabis en zijn derivaten. Dat is het advies dat de Direzione Nazionale Antimafia e Terrorismo (Dna) geeft aan de Italiaanse regering. Op 25 juli begint in het parlement immers de discussie over een wetsvoorstel in die zin. Het voorstel werd ingediend vanuit een intergruppo parlementare, met meer dan 220 handtekeningen, over alle partijgrenzen heen.

De kracht van het advies van de Dna ligt in het cijfermateriaal, dat niet eerder in die mate door ngo’s of de overheid werd verzameld of vrijgegeven. De gegevens van de Dna hebben dus niets te maken met ethiek of zelfbeschikkingsrecht van burgers; zij gaan puur over de kosten van misdaad- en terrorismebestrijding.

De Dna schat de jaarlijkse kosten van de Italiaanse war on drugs  op 1 miljard euro voor het gevangenissysteem, 180 miljoen voor de politionele handhaving van de huidige wetgeving, en op 9 miljoen voor de kosten van rechtspraak. Daarbij zou de overheid tweejaarlijks nog eens 7 tot 13 miljard euro verliezen aan taksen die zij nu niet kan innen. In de plaats daarvan levert de handel in illegale cannabis(producten) enorme winsten op aan allerlei mafie, drugskartels en terroristische organisaties. De verdiensten uit illegale handel zijn uiteraard moeilijk in te schatten, maar internationale organisaties (o.m. het Europees Observatorium voor drugs en andere verslavingen) gaan er van uit dat er alleen al in Europa jaarlijks minstens 20 miljard euro in omgaat. Met name Daesh (Islamitische Staat) zou op dit ogenblik op grote schaal betrokken zijn in de cannabisbusiness, onder meer in samenwerking met Italiaanse misdaadorganisaties.

Als men de heilloze weg van de oorlog tegen de drugs niet kan verlaten op morele gronden, is een pragmatische aanpak gebaseerd op gezond verstand misschien wel haalbaar. Dat is wat de Italiaanse politici en de Direzione Nazionale Antimafia e Terrorismo nu proberen: zij voeren economische, sociale en wetenschappelijke argumenten aan om staten als Uruguay, Portugal of Colorado te volgen op weg naar een humaan drugsbeleid.

 

Syndicate content