leda rafanelli

Rond 1990 veroorzaakte ene Hakim Bey enige rimpeling in de internationale anarchistische kikkerpoel met de publicatie van het pamflet The Temporary Autonomous Zone (TAZ). Uitgeverij Autonomedia gaf in 2003 de tekst weer uit, samen met nog enkele stukken rond ‘ontologisch anarchisme’. Opvallend was toen dat Hakim Bey herhaaldelijk in positieve zin verwijst naar (al dan niet mystieke) strekkingen binnen de grote wereldgodsdiensten; die zouden een inspiratiebron kunnen vormen voor nieuwe creatieve benaderingen van (stedelijk) anarchisme aan het eind van de twintigste eeuw. In de islam noemt hij onder meer de ismaili’s en de soefi’s als twee bewegingen die enerzijds wel degelijk de islamitische wetten en regels erkennen, maar tegelijk ze ook bewust breken, puur als een uiting van hun vrije wil en zelfbevrijding (autonomie in een “stijl van gemoedelijke en armoedige maar elegante amoraliteit: ik behoor alleen tot mijzelf”).

Hakim Bey is vermoedelijk zelf geen sji’itische moslim; onder zijn echte naam Peter Lamborn Wilson heeft hij ook geschreven over Pirate Utopias zonder dat hij zelf een piraat was. Hakim Bey is ook niet de eerste anarchist die zich laat inspireren door de islam, en meer bepaald het soefisme – of die wijst op anarchistisch getinte bewegingen en tijdelijke autonome zones binnen de islam. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het werk van Leda Rafanelli (1880-1971), die de afgelopen jaren een milde hernieuwde belangstelling kent.

Rafanelli is geboren in Livorno (Italië), maar brengt haar kinderjaren met haar ouders door in Egypte. Daar raakt ze gefascineerd door het soefisme met zijn dansende derwisjen. Zij trekt op met de plaatselijke Italiaanse anarchisten, leert Arabisch, affirmeert zich als moslim. Wanneer zij rond 1912 terugkeert naar Italië, getrouwd en wel, begint zij pas echt te publiceren. Haar sympathie voor de islam ziet zij dan als een vorm van verzet tegen de westerse wereld (het toenmalige koninkrijk Italië bezette Albanië, Libië, Ethiopië, Eritrea en Somaliland). Later zal zij in een autobiografisch werk schrijven: “Ik begreep dat er zich iets onvermijdelijks voltrok. Dat Europa, dat deel van de wereld dat altijd anderen beroofd had van hun grond, hun producten, hun vrijheid, hun autonomie – dat dat eindelijk zijn schuld zou moeten betalen, was nu aan het gebeuren. Ik voelde dat het bijna juist was, logisch, dat Europa hetzelfde leed als wat het andere volkeren had doen lijden, dat het begreep wat een verschrikking wapengeweld is.” Rafanelli wordt een van de woordvoerders van de pacifistische beweging die zich verzet tegen de (overigens dubbelzinnige) Italiaanse deelname aan wat de Eerste Wereldoorlog wordt.  

De autobiografische tekst waarvan sprake heet Una donna e Mussolini en verwijst naar de kortstondige relatie met Benito Mussolini, in de jaren 1913-1914, toen die nog een revolutionaire socialist was. Zij verbrak de relatie toen bleek dat Mussolini wel voor de oorlog was, en later publiceerde zij – met haar commentaar – veertig brieven die zij van hem ontving voor hij dus il Duce werd. Leda Rafanelli was echter vooral zelf schrijver en uitgever. Zij publiceerde gedichten, romans, essays, ze richtte mee de belangrijkste Italiaanse anarchistische uitgeverij uit het begin van de twintigste eeuw op, ze lag aan de basis van tijdschriften als La Rivolta en La Libertà. Wanneer de fascisten in 1922 aan de macht komen is het uit met de politieke geschriften. Ravanelli publiceert nog een aantal romans, die zich soms afspelen in de Italiaanse kolonies, en waarin de hoofdpersonen vaak vrouwen zijn, zelfbewust en met een scherpe kijk op de wereld. In 1929 verschijnt in Milaan L’Oasi – Romanzo arabo van Etienne Gamalier, vertaald door Leda Rafanelli. Op dat ogenblik is in Libië de ‘pacificatie’ te vuur en te zwaard in volle gang; duizenden Libiërs zitten opgesloten in concentratiekampen in de woestijn. De roman speelt zich af in een dorp, beschreven vanuit het gezichtspunt van de inwoners. Al op de eerste pagina stelt de auteur de zaak op scherp.

“Ik geloof in de devote onderwerping van de inboorlingen. Zij zijn blij en trots dat zij door ons geleid, bevolen en beschermd worden.”

“Niet blij, of trots, of devoot; berustend.” Het was een vrouwenstem.

Etienne Gamalier bestaat niet; de auteur van het boek is Rafanelli zelf. Haar syncretische islam, met invloeden van anarchisme, feminisme, soefisme, antifascisme en yoga vormt een denkkader dat haar de kracht biedt om weerstand te blijven bieden aan fascisme, oorlog en de uitwassen van de westerse moderniteit. In de jaren 1930 kan zij haar opvattingen nog kwijt in een aantal jeugdboeken, gesitueerd onder meer in Eritrea.

Na de Tweede Wereldoorlog trekt Leda Rafanelli zich terug in Genua, waar zij de kost verdient met lessen Arabisch en handlezen. Onregelmatig schrijft zij nog voor het anarchistische tijdschrift Umanità Nova.

Ergens vond ik dit citaat toegeschreven aan Leda/Djali:

“Ik heb mij deze naam gegeven, naast de mooie naam die ik voer,
omdat Djali betekent: van mijzelf,
en ik heb altijd alleen maar aan mijzelf behoord.”

stadsregio

De stad Leuven zou de mogelijkheid willen hebben om zich te ontwikkelen tot een stedelijke regio. Het is een ambitie die in meer steden leeft. De functies die een beetje stad tegenwoordig vervult reiken immers veel verder dan de eigen gemeentegrenzen, en omgekeerd is het gemeentelijke territorium vaak onvoldoende om alle stedelijke functies een plek te geven.

Het idee is niet nieuw natuurlijk. In 2010 kreeg het Steunpunt Buitenlands Beleid de opdracht voor een verkennende studie rond ‘Vlaams-Nederlandse strategische economische samenwerking op middellange termijn’. Dat leidde een jaar later tot het korte rapport (138 p.) De Lage Landen 2020-2040. Daarin gingen wij voor de analyses uit van Nederland en Vlaanderen als één stedelijke regio.

In die tijd was het concept smart city ineens nogal populair geworden in beleidsstukken en de media. Maar er was in de afgelopen periode ook wetenschappelijke literatuur ontwikkeld, waardoor de term operationaliseerbaar werd voor onderzoek. Wij namen toen de definitie over die stelde dat een stad ‘slim’ is, “wanneer investeringen in menselijk en maatschappelijk kapitaal (die termen zou ik nu niet meer willen gebruiken), en traditionele (transport) en moderne (ICT)communicatie-infrastructuur zorgen voor duurzame economische groei en een hoge levenskwaliteit, met een wijs beheer van natuurlijke bronnen, door middel van participatief bestuur”. De ‘slimheid’ van steden werd dan getoetst in zes categorieën (economie, mensen, mobiliteit, leefomgeving, leven en bestuur), die beschreven werden aan de hand van 31 factoren met in totaal zo’n 74 indicatoren. Om bijvoorbeeld te kijken of een stad slim is op het gebied van mobiliteit, meet je onder meer de lokale, nationale en internationale bereikbaarheid aan de hand van een aantal indicatoren. Wil je meten hoe smart het leven is in een stad, dan kijk je onder meer naar de culturele faciliteiten, de kwaliteit van de huisvesting, het onderwijsaanbod, de sociale cohesie, enzovoort.

Wij kozen ervoor Nederland en Vlaanderen (de opdrachtgevers) te behandelen als één stedelijke regio, overwegend op economische en sociologische gronden. Ik parafraseer hier het rapport.

Ten eerste groeit het aantal mensen dat in steden woont voortdurend. Wanneer in 2010 55% van de wereldbevolking in steden woonde, gaat men er van uit dat dit tegen 2050 wel eens zeventig procent zou kunnen zijn. Voor Europa en Noord-Amerika voorzag men toen een stijging van tachtig naar 88 % van de bevolking die in steden woont. Bovendien hadden Nederland en Vlaanderen (en dat is nog steeds zo) te maken met processen van peri-urbanisatie: de fysieke uitbreiding van steden, de stadsranden die zich steeds verder uitstrekken in het omringende land. Zo sluiten grote peri-urbane gebieden steden en dorpen in tot ze tezamen één grote stedelijke agglomeratie vormen. Als je dan een beetje vanop afstand (zeg maar vanaf grote hoogte) naar België en Nederland kijkt, kan je de Lage Landen, inclusief hun platteland, beschouwen als één groot verstedelijkt gebied.

Ten tweede beperkt de notie stedelijkheid zich niet langer tot de binnenstad. Hoewel er vandaag in een stad als Antwerpen toch wel degelijk een cultureel en politiek onderscheid blijkt te bestaan tussen de binnenstad en de randgemeenten, zijn op een aantal andere terreinen die grenzen vervaagd. Het mobiliteitsprobleem waar grote steden mee te maken hebben wordt voor een belangrijk gedeelte veroorzaakt door het feit dat enerzijds ouders en schoolkinderen en anderzijds arbeidskrachten, klanten en toeleveranciers van bedrijven zich niet gelegen laten liggen aan gemeentegrenzen. Het dagelijks leven van bedrijven en huishoudens speelt zich af op het niveau van de regio, daarbij inbegrepen het nabije platteland.

Ten derde is het concept stedelijkheid niet beperkt tot een geografische omschrijving; het staat van oudsher ook voor een culturele benadering, een mentaliteit die weet om te gaan met complexiteit en diversiteit. In die zin kan je in hedendaagse steden zeker ook anti-stedelijke tendensen waarnemen. Anderzijds is door de toegenomen mobiliteit de grens tussen stad (cultureel open) en platteland (mentaal gesloten) vervaagd. Ook buiten de stad komen uitingen van ‘stedelijke mentaliteit’ voor en het samenleven met ‘de vreemde’ is niet langer beperkt tot de stad.

Het is verwarrend. Nu ik overwegend op het échte platteland woon (en ver verwijderd van een grote stad), merk ik dat wat ik vroeger beschouwde als een onderdeel van mijn universitaire grootstedelijkheid, hier ook terug te vinden is. Om maar iets te zeggen: de dochter van de plaatselijke elektricien zit op Erasmus in Spanje. Anderzijds merk je wel een diep cultureel onderscheid tussen de autochtone bevolking en de ‘inwijkelingen’ uit de stad – ook al maken die intussen al jaren deel uit van de lokale bevolking. Het wantrouwen ten opzichte van ‘nieuwkomers’ is soms amper verhuld; er gaan jaren overheen voor je ook begroet wordt met een bise – iets wat de autochtonen onder elkaar altijd en overal lijken te doen. Maar goed, ik zit hier dan ook niet echt meer in wat in het rapport ‘de lage landen’ werd genoemd.

 

Tot mijn verbazing is het integrale rapport De Lage Landen 2020-2040 - Vlaams-Nederlandse strategische economische samenwerking op middellange termijn te consulteren op https://issuu.com/infobesitas/docs/rapport_lage_landen_2020-2040/77.

 

paysage et droits de l'homme

De nos jours, un paysage est plus qu’un simple tableau ou un beau panorama ; dans la littérature théorique on le considère plutôt comme une relation culturelle entre l’environnement et des êtres humains.  Prenons par exemple l’article 1 de la Convention européenne du paysage du Conseil de l'Europe (2000), selon lequel « ‘Paysage’ désigne une partie de territoire telle que perçue par les populations, dont le caractère résulte de l'action de facteurs naturels et/ou humains et de leurs interrelations ». Un paysage est donc créé par la perception humaine, et on peut estimer qu’il puisse être traité comme un vrai bien commun.

Le paysage peut être considéré non seulement en tant que bien commun, mais également comme bien publique. C’est-à-dire que, pour ce qui est des générations futures, il convient de sauvegarder la possibilité de relations socio-politiques se jouant dans les paysages, autant que de protéger  l’environnement. Dans plusieurs textes et déclarations le caractère de bien commun ou de bien public du paysage est accentué pour souligner un engagement à améliorer et à renforcer sa relation inhérente entre nature et culture.

Les concepts de ‘paysage’ et de ‘bien communs’ sont depuis toujours entrelacés par des lois et des coutumes réglant la gestion de la terre. Même aujourd’hui les grandes déclarations mentionnent la participation bottom-up (de bas en haut) et la gouvernance collective parmi les objectifs primordiaux de la gestion contemporaine de paysages. On reconnaît en plus que la perception du paysage (soit urbain, soit rural) contribue à la construction d’une identité sociale. La Déclaration de Florence sur le paysage 2012 de l’UNESCO établit même un lien entre paysages et droits de l’homme (comme le fait également la Convention européenne du paysage déjà mentionnée, à laquelle d’ailleurs se réfère le ministre wallon de l’environnement dans ses décisions sur l’implantation de centrales éoliennes).

Il y a un lien entre droits de l’homme et paysages, non seulement lorsqu’il s’agit de zones conflictuelles ou de territoires indigènes, mais également quand il s’agit des  paysages et des environnements de tous les jours qui sont menacés et abîmés. De ce point de vue, le paysage devient ‘éthique’, plutôt que simplement esthétique. De là aussi l’importance de réfléchir sur un ‘droit au paysage’ pour exprimer cette relation avec les droits de l’homme. Si l’on considère (la perception d’) un paysage comme un bien commun et public, impliquant diverses fonctions et capacités de gestion collective, on peut en déduire ou y attribuer des droits. Une population aurait droit au respect du paysage dans la résolution de divers conflits sociaux ; le paysage lui-même aurait droit à la protection et la sauvegarde à plusieurs niveaux (y compris faune et flore).

 

Laura Menatti, ‘Landscape: from common good to human right’, International Journal of the Commons, Vol. 11, no 2 2017, pp. 641–683

https://www.thecommonsjournal.org/articles/738/

langues de feu

Je ne me rappelle plus ce qui m’a mené vers ce site, mais là je suis tombé sur ce texte vraiment merveilleux, perspicace et teinté d’une douce ironie : ‘Ranger sa bibliothèque avec Georges Perec – le livre errant’.

« … le classement d’une bibliothèque dit autant de la personne qui classe que du contenu même des livres. »

 

ag tog!

“‘Bovendien zorgt cannabis hoe dan ook voor overlast. Mensen die verslaafd zijn, moeten misdrijven plegen om hun verslaving te betalen. Ze doen inbraken in woningen, gaan zelf drugs verkopen.’”

De Standaard, 9 oktober 2017 (interview Marino Keulen burgemeester van Lanaken)

ons wereldbeeld

Het blijft maar doorgaan, de – al dan niet gespeelde – verontwaardiging over hoe Google en Facebook ‘ons’ wereldbeeld bepalen. Op iets meer dan een week tijd vond ik in verschillende papieren media weer volop verontruste beschouwingen over hun sluikse invloed op de politiek, met de verkiezing van Donald Trump als triest hoogtepunt. Meestal zijn het geeks die dit soort stukjes schrijven, mannen die zich bezighouden met enthousiast of teleurgesteld te zijn over de nieuwste technologische snufjes, maar die amper lijken na te denken over de betekenis van waar zij mee bezig zijn. Welk plekje hebben zij in die hele techno-business? Welke rol spelen zij in het laten bepalen van ‘ons’ wereldbeeld door Google en Facebook? Soms lijken zij wat te mopperen, maar verder draven zij gewoon op als marionetten van ‘het internet’ en verwante technologiebedrijven, want ‘Google en Facebook maken nou eenmaal deel uit van ons leven’.

Daarom begon ik afgelopen zaterdag met belangstelling aan een bijdrage van een schrijfster die ik meestal wel weet te waarderen, Gaea Schoeters. Onder de kop ‘Het internet als Matrix – De machine zoekt u’ stelt zij : “Het internet, waar we uren tijd doorbrengen en het leeuwendeel van onze informatie halen, is een integraal door formules geschapen schijnwerkelijkheid.”

Nou en, denk ik dan; dat weet je, dus je gedraagt je er naar. Maar niet zo dus, tot mijn verbazing, Gaea Schoeters. Zij neemt blijkbaar ‘het internet’ prima facie serieus, want zij vervolgt: “Vervelend als Google, dat ons wereldbeeld én ons stemgedrag bepaalt, extreemrechtse nonsens voor waar verkoopt.” En over Facebook meldt zij dat “voor het businessmodel van de site (…) de waarheid van geen belang” is, dat het een speeltuin is voor ‘marketingjongens’, en dat de door Zuckerberg & co geschapen toekomst behoorlijk overhelt naar rechts. De teneur van haar stuk: “Mensen zijn plug-ins geworden die het systeem voeden met data” en “Google en Facebook hebben een gigantische impact op de democratie”, en die invloed is bovendien zeer rechts geïnspireerd. Schoeters concludeert: “Mijn research werd bepaald door mijn filterbubbel, en ik ken de algoritmes niet die mijn wereldbeeld bepalen. Ik kan alleen proberen beter te kijken. Ik raad u aan hetzelfde te doen.”

Wel, ik zou zeggen, als je beter wil kijken, begin met een ander instrument te gebruiken. Zelf vind ik het al bijzonder irritant dat voortdurend geschreven wordt dat Google en Facebook ‘ons’ wereldbeeld bepalen, en dat ‘wij’ overgeleverd zijn aan de grillen van Mark Zuckerberg en zijn algoritmes – alsof wij daar zelf niets in te zeggen hebben. Luister naar me: je kan zonder Google en Facebook leven! Echt waar!

Dat betekent niet dat je je moet terugtrekken uit alle virtuele werelden, maar er zijn instrumenten en programma’s beschikbaar die veel minder invasief en indoctrinerend zijn. Iedereen kan die terugvinden, installeren en gebruiken. Natuurlijk is Google maps soms een handig instrument, maar er is ook andere software die kaarten leest en als gps werkt. Die zal waarschijnlijk ook je gegevens opslaan en je volgen, maar tenminste zit je dan (voorlopig) bij een kleiner bedrijf, met minder impact.

Wat browser en zoekmachines betreft: er zijn prima alternatieven voor Google. Ik gebruik al jaren met veel voldoening Opera en Vivaldi als browsers. Die kan je op elk apparaat installeren, ook wanneer dat Android draait. Voeg daar een ad-blocker en een tracking-blocker zoals Ghostery aan toe, en je bent gevrijwaard van ongewenste tussenkomsten op je scherm. En voor de zoekmachines: er zijn verschillende instrumenten die je persoonlijke gegevens niet bewaren, je ip-adres niet volgen, en je geen advertenties opsolferen. Lang geleden gebruikte ik Startpage by Ixquick, maar dat werkt niet in Opera of Vivaldi. Nu ben ik al geruime tijd zeer tevreden met DuckDuckGo (al was het maar vanwege de naam), dat uitstekend functioneert in Opera en Vivaldi. Sinds kort is er ook de ‘ecologische’ zoekmachine Ecosia; niks mis mee. Wel is het zo dat een zoekopdracht op Google veel meer respons geeft; maar wie heeft er behoefte aan 23.500.000 resultaten als je ‘martini dry’ intikt? Bovendien zullen andere zoekmachines in de loop van de tijd ook meer resultaten gaan aanbieden, naargelang zij meer gebruikt worden.

Betekent dit dan dat Opera en Vivaldi en DuckDuckGo niet met algoritmes werken? Nee, natuurlijk niet, maar ik heb geen last van hinderlijke boodschappen overal tussendoor. Propageren zij ook een uiterst-rechts wereldbeeld? Dat is niet zo duidelijk, maar voorlopig lijken zij gevrijwaard van de manipulaties door grote marketingbedrijven, alt-right of de N-VA/VlaamsBelang. In die zin vind ik het ook jammer dat zelfs kritische auteurs blijkbaar zonder problemen ‘googelen’ wanneer zij wat opzoeken op internet. Ik weet het wel, sommige mensen schrijven met een bic, ook als het geen Bic is, maar dit soort ‘merkverwatering’ (antonomasie) versterkt natuurlijk alleen maar de ideologische hegemonie van het bedrijf.

En ook zonder Facebook kan je een volwaardig en zelfs zinvol leven leiden, lijkt mij. In 2008 of 2009 maakte ik een Facebookprofiel aan. Na een aantal maanden had ik zo’n 120 vrienden, allemaal mensen die ik in het echte leven kende. Maar toen bleek ook al dat ik van ruim honderd ervan de nieuwe berichten blokkeerde. Die bleken immers alleen te gaan over ‘ben gaan shoppen in Londen met oude schoolvriendinnen’ tot ‘brrr, wat koud, heb de kachel maar aangemaakt’. Hadden die mensen niks beters te doen dat dit soort flauwekul uitstoten? Het heeft uiteindelijk nog zo’n zes maanden geduurd voor Facebook mijn account eindelijk verwijderd had.

Als je dan toch zo nodig deel wil uitmaken van een virtuele community, is er bijvoorbeeld nog altijd Diaspora. Kleiner, selectiever en interessanter, maar vooral: decentraal. Ik weet het, Diaspora is niet altijd erg gebruiksvriendelijk, maar dat verandert natuurlijk naargelang meer mensen er gebruik van maken.

Ja maar, zeggen mensen me, al mijn vrienden zitten op Facebook, dus dat is waar ik hun nieuws vind.

a/ Is hun nieuws op Facebook dan zo interessant of relevant? Tonen zij meer dan zichzelf, de kinderen of de poes? En als je wel relevante informatie wil uit een virtuele gemeenschap, is dan niet juist een medium als Diaspora, dat speciaal daarvoor werd opgericht, uitermate geschikt (tot het natuurlijk ook overrompeld wordt door debiele selfies)?

b/ De reactie doet mij denken aan de mevrouw van het bakkerijtje in Jevigné, toen ik informeerde of zij meedeed aan de introductie van de nieuwe lokale munt in de streek. ‘Nee, nu niet; misschien later, als anderen ook meedoen.’

Kortom, hou op met te praten over ‘we’ en ‘ons’ wereldbeeld dat bepaald wordt door monopolies als Google en Facebook. Als dat zo zou zijn, is het omdat je het zelf toelaat. Er zijn alternatieven. Basisinformatie over hoe anders om te gaan met ‘het internet’, browsers, zoekmachines en virtuele gemeenschappen vind je alvast bij Internetvrijheid Toolbox of Electronic Frontier Foundation. Zie ook: https://www.vpnmentor.com/blog/survive-online-without-google/

plek-plek: art politique

« Il manque souvent à l'art politiquement engagé cette qualité d'imagination qui modifie notre expérience du monde. Voilà précisément pourquoi chaque œuvre d'art aboutie est politique ! »

Rolf Quaghebeur (avec point d’exclamation !), ARGOS centre for art and media

 

11 september 1973

Dit is wat mij betreft een van de ontroerendste foto’s uit de wereldgeschiedenis.

11 september 1973. Straaljagers van de Chileense luchtmacht bombarderen in de hoofdstad Santiago het presidentieel paleis La Moneda, terwijl vanop straat tanks het gebouw onder vuur nemen. Op een enkele militair na zijn president Allende en de mannen gewoon in het pak; het is duidelijk dat toen zij die ochtend naar kantoor gingen, zij niet verwachtten dat zij zich die dag met de wapens zouden moeten verdedigen.  De president, die zich altijd verzet heeft tegen het gebruik van geweld, heeft nu losjes een legerhelm op het hoofd en houdt een AK-47 onder de arm. Allende en zijn staf worden gesommeerd zich over te geven. Wanneer de aanvallers de trappen in het paleis al opstormen, blijft hij even achter in een zaal en schiet zich door het hoofd. Zo eindigt voortijdig een socialistisch experiment waar de hele wereld met spanning naar keek, en begint een zeventien jaar lange gruwelijke dictatuur met concentratiekampen, boekverbrandingen en systematische martelingen, verdwijningen en moorden.

Chili was al een jaar of tachtig een democratie waar het leger niet al te openlijk optrad in staatszaken. Het land werd bestuurd door christen-democratische partijen en organisaties, die de belangen verdedigden van de bourgeoisie, de grootgrondbezitters en grote bedrijven uit de Verenigde Staten die onder meer de mijnbouw controleerden. Maar dan komt in 1969 het volksfront Unidad Popular tot stand, een coalitie van onder meer socialisten, communisten en sociaal-democraten.  In september 1970 wordt de kandidaat van deze coalitie, Salvador Allende Gossens, tot president gekozen, maar nog voor hij in functie kan treden, op 4 november 1970, wordt er al een aanslag op hem gepleegd. Generaal René Schneider, die verklaard had dat het leger zich buiten het politieke proces zou houden, wordt nog voor het aantreden van de nieuwe president vermoord. De aanslagen en moorden zijn het werk van extreemrechtse milities, opgeleid, getraind en gecoördineerd door de CIA. (Die betrokkenheid van de Verenigde Staten bij aanslagen en staatsgrepen in geheel Midden- en Zuid-Amerika is sindsdien uitgebreid gedocumenteerd, o.m. in het werk van de Colombiaanse journalist Hernando Calvo Ospina.)

Wat was er dan eigenlijk zo verontrustend aan de verkiezing van Allende tot president? Het programma van de Unidad Popular was gericht op meer sociale rechtvaardigheid, met meer inspraak van de bevolking en meer controle over de productiemiddelen: nationalisatie van een aantal strategische economische sectoren, maar met behoud van privé-eigendom op kleine schaal en de introductie van gemengd publiek-private bedrijven; inspraak van de werkers in de bedrijven en de openbare sector; verhoging van de koopkracht van de bevolking door loonsverhogingen en overheidsinvesteringen; een landbouwhervorming met verdeling van de grond en versterking van de positie van de kleine boeren en pachters. Een belangrijke factor in deze hervormingsplannen was de samenwerking tussen de partijen van het volksfront, de vakbeweging, en een groeiend aantal basisorganisaties en -comités.

Dat programma was dan misschien wel revolutionair in de ogen van de bezittende klasse, de conservatieven en de VS, de uitwerking ervan was allesbehalve radicaal. Voor Allende moest de overgang vreedzaam en binnen de kaders van de wet plaatsvinden. De nationalisaties bijvoorbeeld gebeurden per bedrijf, via bestaande wettelijke constructies of door de aankoop door de overheid van aandelen. Alleen de nationalisering van de strategisch belangrijke kopersector gebeurde via een wet. Eind 1972 had de overheid de controle verworven over de energiesector, textiel en openbare werken, en de banken (alles samen zo’n 35% van de Chileense economie).

De christen-democraten hebben van in het begin het verzet georganiseerd tegen deze maatregelen, daarbij (financieel) geholpen door de Verenigde Staten (president Nixon), het Vaticaan (paus Paulus VI) en de gehele West-Europese christen-democratie en haar massamedia. Waar mogelijk saboteerde ze hervormingen in het parlement. Intussen trainde en organiseerde de CIA paramilitaire groepen die aanslagen, moorden en ontvoeringen pleegden. Ondernemers en vervoersbedrijven, gefinancierd door de Verenigde Staten en vanuit West-Europa, legden de distributie van levensmiddelen en andere goederen plat, winkels werden niet langer bevoorraad. Het werd een uitputtingsslag, waarbij de Verenigde Staten, multinationale bedrijven en de (internationale) christen-democratie alles in het werk stelden om de Chileense economie volledig onderuit te halen en onrust bij de bevolking aan te creëren.

Maar ook aan de andere zijde van het politieke spectrum was er onvrede, met name bij de MIR (Movimiento de Izquierda Revolucionaria - Beweging van Revolutionair Links). Die had namelijk gehoopt op een socialisering van zeker 80% van de economie en op een meer radicale en snelle sociale herverdeling. Met name de mijnwerkers en de boeren – die op grote schaal te lijden hadden onder geweld vanwege de mijnbedrijven en de grootgrondbezitters – begonnen hun geduld te verliezen.

Zo zaten Allende en zijn regering begin 1973 tussen twee vuren, en de president werd verplicht een aantal generaals op te nemen in zijn regering. Op 23 augustus 1973 moest hij generaal Carlos Prats ontslaan en Augusto Pinochet benoemen tot nieuwe stafchef van het leger. Prats wordt een jaar later in Buenos Aires, Argentinië, vermoord door de Chileense geheime dienst DINA – het begin van ‘Operatie Condor’, waarbij de geheime diensten van de Verenigde Staten en de militaire dictaturen in Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Paraguay en Uruguay in het midden van de jaren 1970 over de gehele wereld, tot in Washington en West-Europa toe, politieke tegenstanders vermoorden.

Het lot van de bevolking in Chili was niet minder tragisch. Duizenden arbeiders, boeren, studenten en vermeende tegenstanders werden meteen opgepakt door het leger en opgesloten in het voet­balstadion van Santiago. Onder hen bevond zich ook de zanger Victor Jara. De over­levering zegt dat, toen soldaten hem herkenden, zij eerst midden in het stadion zijn handen afhakten (of verbrijzelden) opdat hij nooit meer gitaar zou spelen, en hem ver­volgens met een mitrailleur dood­schoten. In de volgende jaren gingen het leger en de geheime diensten onverdroten door met het uitroeien van wie zij beschouwden als links of subversief: vakbondsmensen, politici, studenten, intellectuelen, kunstenaars, … Ook de grootgrondbezitters zagen hun kans schoon om komaf te maken met de pachters en landarbeiders die zich tegen het systeem van lijfeigenschap hadden verzet. De schuchtere sociale hervormingen werden teruggedraaid en Chili werd een paradijs dat voortaan bestuurd werd volgens de economische en politieke principes van Milton Friedman en de Chicago School.

Pas in maart 1998 trad Augusto Pinochet af als stafchef van het Chileense leger. Vandaag vind je op internet volop verklaringen van mensen die weliswaar toegeven dat er onder de dictatuur mensenrechtenschendingen plaatsvonden, maar die anderzijds stellen dat het leger geen andere keuze had dan in te grijpen, vanwege de economische situatie en de sociale onrust in het land. Dat die instabiele politieke en sociaaleconomische situatie speciaal gecreëerd werd door diegenen die de staatsgreep wilden, blijft dan even buiten beschouwing. Als je kijkt naar de verhalen die je vandaag in de westerse media krijgt over Venezuela, is dat blijkbaar nog steeds een beproefd recept.

 

De Nederlandse fotograaf Koen Wessing was op 11 september 1973 in Santiago de Chili. Hij heeft daar indrukwekkende foto’s gemaakt: https://vimeo.com/20405997.

 

socialisme - communisme

Wat valt mij de laatste tijd op, met een dikke duim bladerend door  de Belgische mainstream media of met minder dan een half oog kijkend naar wat er op de baggerbuis voortklotst? Dat programma’s of inhoudelijke punten van de sociaaldemocratische partijen (consequent ‘links’ of ‘rood’ genoemd) amper nog aan bod komen; dat er meer fascinatie/angst/afkeer is voor de Partij van de Arbeid/Parti du Travail de Belgique (PVDA/PTB). Die wordt dan ook consequent gestigmatiseerd als ‘communistisch’ – alhoewel de partijleiding zichzelf ‘marxisten’ of ‘socialisten 2.0’ noemt. Als andere politici vervolgens  een paar recente ideetjes van de neoliberale sociaaldemocraat Elio Di Rupo plots ‘communistisch’ gaan noemen, lijkt het wel alsof de – op zich natuurlijk al verwerpelijke – Parti  Socialiste een opstapje vormt naar de dictatuur van het proletariaat en Noord-Koreaanse toestanden.

In werkelijkheid is er binnen ‘links’ altijd een scherp conceptueel onderscheid gemaakt tussen socialisme en communisme. De eerste teksten daarover, van Marx over de vroege Internationales tot Lenin, beschouwden socialisme en communisme als twee onderscheiden fasen in het revolutionaire proces. Waar socialisme stond voor de socialisering en het politieke beheer van de productiemiddelen, was het oorspronkelijke communisme gericht op het verdwijnen van de staat en de overdracht van de (politieke en economische) macht aan de werkende bevolking (in de vorm van sovjets of arbeidersraden). Louis Blancs stelling  ‘Van ieder naar vermogen, aan ieder naar behoefte’ was daarbij een idealistische leidraad.

Die opvatting over zelfbeheer door de arbeiders en communisme als de democratische uitdrukking van de strijd van de werkende bevolking voor zeggenschap over het eigen leven (Rosa Luxemburg) komt al gauw in aanvaring met de centralistische opvattingen van Lenin over de partij als revolutionaire voorhoede en de dictatuur van het proletariaat als middel. De eerste opvatting werd – letterlijk (hier kan dat, Lotte Alsteens) – de kop ingedrukt, de tweede leidde uiteindelijk tot fenomenen als het ‘reëel bestaande socialisme’ van de Sovjet-Unie en vazallen of tot het hedendaagse China, die uiteindelijk niet anders zijn dan vormen van staatskapitalisme.

Enigszins naast deze confrontatie, maar wel langer overeind, blijft de tegenstelling tussen het reformisme dat geleidelijk aan, binnen de bestaande staatsstructuur en haar politieke representatie, de levensomstandigheden voor de werkende bevolking wil verbeteren, en daar tegenover de idee dat klassenstrijd de arbeiders (alle producenten van economische of sociale meerwaarde) de macht moet geven over die productie en de verdeling van de door hen gecreëerde maatschappelijke welvaart. Als de eerste benadering, die van het reformisme, aanvankelijk nog streefde naar een socialisme als socio-economisch alternatief voor het kapitalisme, dan is het in zijn sociaaldemocratische verschijning nog slechts een van de methoden om dat kapitalisme te organiseren en te managen. En binnen de wereldwijde dominante ideologie van het neoliberalisme is dat officiële socialisme vandaag zelfs niet meer nodig als ‘menselijk gelaat’ van het klassensysteem, de uitbuiting van de werkende bevolking en de plundering van maatschappelijk goed door de rijksten. Zo gek is het dus ook niet dat, als er al originele ideeën zouden leven binnen de sociaaldemocratische partijen, die niet meer aan bod komen in de media van het grootkapitaal.

In die zin is het vandaag klinkklare onzin te stellen dat het socialisme in West-Europa een fase of een instrument zou zijn op de weg naar communisme. Als communisme weer zou staan voor de afschaffing van uitbuiting en klassenstructuren, en voor de erkenning van de organisatiekracht van maatschappelijke instellingen, dan is er geen gradueel onderscheid tussen socialisme en communisme. Dat wil zeggen, er is geen twijfel over een overgang tussen beide mogelijk; de twee concepten staan fundamenteel tegenover elkaar.

flikkerlig: een nieuw elitarisme

"IEDEREEN KAN DEEL UITMAKEN VAN DE ELITE – Moeilijke kunst bestaat niet. Er bestaat alleen een publiek dat de taal van de kunst niet spreekt, en niet de moeite wil nemen ze te leren. KUNST VRAAGT INSPANNING. De verantwoordelijkheid tot begrijpen ligt bij het publiek, niet bij de kunstenaar. Als we evenveel tijd zouden investeren in het ontwikkelen van onze hersenen als in het stroomlijnen van ons lichaam, zou de cultuur bloeien als nooit tevoren."

Gaea Schoeters, 'Manifest voor een nieuw egalitarisme', REKTO:VERSO, nr. 76

 

Syndicate content