durieux's blog

porno-guru

Universiteit Antwerpen heeft het archief van podiumkunstentijdscrift Etcetera gedigitaliseerd en online gezet. Uitstekend idee. Daarbij werden  de eerste 114 nummers van Etcetera uit de periode van januari 1983 tot december 2008 gescand, naar tekst omgezet met OCR-software en gecorrigeerd. Dat digitaliseringsproces werd uitgevoerd door drie stagestudenten. Zo ver alles goed.

Alleen, ik weet uit ervaring dat de meeste OCR-software (optical character recognition) enige moeite heeft met tekens die op elkaar lijken. Het onderscheid tussen hoofdletter I, kleine letter l en 1 is niet altijd waarneembaar. Hetzelfde voor hoofdletter O en cijfer 0. Bij sommige lettertypes zelfs tussen cijfer 9 en de letter g.

Toevallig stuitte ik in dat UA Archief Etcetera op een artikel van mij uit 1992, ‘De tragedie van het luisteren - Moderne opera tussen muziek en theater’. En zoals dat gaat, je leest al eens terug wat je vijfentwintig jaar geleden hebt geschreven. Ik was niet weinig verbaasd toen ik onder het kopje ‘De zoektocht van Nono’ een verwijzing vond naar porno-guru Massimo Cacciari. Nu weet ik zeker dat ik de filosoof en politicus Cacciari (zijn Icone della legge is een boek waar ik een tijdlang regelmatig naar teruggreep) nooit een porno-guru zou genoemd hebben. En inderdaad, de papieren versie van het tijdschrift (hier of hier) laat zien dat ik het had over een pomo-guru. ‘Pomo’ was in die tijd de ironisch tot denigrerende afkorting van ‘postmodern’. In mijn gebruik van de term in dat artikel zal de lading wel ergens tussen de twee benaderingen in gezeten hebben.

Dat roept bij mij enkele vragen op. Kan je van studenten verwachten dat zij, wanneer zij in een tekst de term ‘porno-guru’ tegenkomen, zich afvragen wat die term in die context komt doen? Wat stellen zij zich voor bij een porno-guru? En vervolgens, doet de combinatie met de naam Massimo Cacciari niet een belletje rinkelen?

Niet dus. Daaruit blijkt dus dat zowel pomo als Massimo Cacciari geen deel (meer) uitmaken van de culturele bagage van UA-studenten. Porno wel.

 

ag tog!

"Al sinds 1996 zaten Ailes en O’Reilly zij aan zij in de cockpit van de conservatieve zender die de vergeten onderbuik van Amerika bij de kraag wist te vatten."

De Standaard, 20 april 2017 (‘En toch laat Murdoch zijn goudhaantje vallen’)

oh my god!

In de negentiende eeuw konden velen nog denken dat er weldra een einde zou komen aan religie en georganiseerde godsdienst. In het in 1882 postuum gepubliceerde Dieu et l’Etat schrijft Michel Bakounine: « Dieu est, donc l'homme est esclave. L'homme est libre, donc il n'y a point de Dieu. Je défie qui que ce soit de sortir de ce cercle, et maintenant, choisissons. » Mikhail Bakunin was zeker niet de enige die er zo over dacht.

Uiteraard ging het hier om een principiële uitspraak, geen sociologische beschrijving. De mens was helemaal niet vrij; om werkelijk vrij te kunnen zijn zou hij/zij zich moeten bevrijden van Staat, Kapitaal en God. De Wetenschap zou de nieuwe leidraad worden bij de organisatie van een samenleving gebaseerd op vrijheid en solidariteit.

Maar kijk om je heen vandaag. Godsdienst en obscurantisme zijn helemaal terug – vermoedelijk van nooit weggeweest. Wij, die vanaf onze jeugd zo onze best gedaan hebben om ons te bevrijden van de dogma’s en de bekrompenheid van de kerk, worden nu omringd door mensen die zich voor van alles en nog wat beroepen op ‘hun geloof’, en die willen dat wij daar respect voor opbrengen. Religie moet je blijkbaar weer serieus nemen – en dat heeft niet alleen te maken met de moordende waanzin van boeven die zich beroepen op Allah of heilige koeien. Het lijkt wel of de macht van godsdiensten navenant toeneemt met de wereldwijde uitbreiding van technologie en rationele controle. En misschien helpt ook het dominante neoliberale culturele dogma wel een handje. In een wereld waarin iedereen voortdurend gepushed wordt om vooral zichzelf volop te ontplooien en ‘in de markt te zetten’, zullen er vast mensen zijn die een deel van die zware verantwoordelijkheid willen afschuiven naar iets, iemand, ergens, buiten zichzelf. Hoewel – de snelst groeiende wereldreligie is de evangelische beweging. En daarover schrijft Franca Treur in De groene Amsterdammer: “Evangelische bewegingen handelen als succesvolle multinationals. Leiders hebben bijna altijd een ondernemersachtergrond, denken in marktaandeeltermen en beschikken over de modernste lichtshows en presentatietechnieken. Ze zijn informeel gekleed en praten op losse, persoonlijke toon. Ze zijn lokale celebrities. Op de websites staan glossy foto’s van hun gezinnen. Preken zijn emotioneel en doorspekt met anekdotes uit het eigen gezinsleven, zoals we die kennen van politici. Maar deze gezinnen zijn traditioneel, en relaties zijn strikt heteroseksueel. Overspel en scheiding worden streng veroordeeld, evenals abortus en euthanasie. Naast de boodschap van het evangelie komt dus (onbedoeld) de boodschap van westerse moderniteit mee, plus een manier om zich daar weer tegen af te zetten.”

Dat een ernstig blad als De groene vindt dat ‘we ons de luxe van de onverschillige positie tegenover religie niet meer kunnen veroorloven’ is tekenend voor de druk die die culturele stromingen uitoefenen. En dan gaat het niet om de Turkse studenten die mij indertijd zegden als zij ergens geen zin in hadden: “Mijnheer, mijn geloof staat dat niet toe”. En zelfs evenmin om de eis altijd en overal een hoofddoek te mogen dragen. Waar het om gaat is dat zowel bij christenen als moslims of hindoes blijkbaar de wens en de verwachting leeft dat een hele samenleving rekening zal houden met, - nee, zich zal aanpassen aan hun verhalen, mythen en sprookjes.

Sinds Bakoenin en de negentiende eeuw is inmiddels wel gebleken dat een beroep op wetenschap, vooruitgangsgeloof en atheïstisch materialisme onvoldoende grondslag biedt om de waan van de godsdienst echt onderuit te halen. Dus, if you can’t beat them, join them.  Zou het niet slimmer zijn dan om zelf met je eigen godsdienst of kerk te beginnen en te eisen dat die iedereen die respecteert en er rekening mee houdt. En ik bedoel niet dat – zoals al sinds enkele jaren sporadisch als actiemiddel gebeurt – niet-gelovigen zich plots gaan tooien met hoofddoeken, keppels of tulbanden, die als het zo uitkomt, zowel door voor- als tegenstanders, gezien worden als ‘ostentatieve religieuze symbolen’. Nee, dan gaat het meer om initiatieven als de Church of the Flying Spaghetti Monster. De FSM, zoals de Kerk wordt afgekort, heeft eeuwenlang een verborgen bestaan gekend, maar is in 2005 echt in de openbaarheid getreden. Sindsdien telt zij wereldwijd miljoenen, zelfs duizenden devote gelovigen, de pastafarians. Een instructief filmpje staat op deze pagina.

Als ostentatief religieus symbool dragen de ware gelovigen een vergiet op het hoofd (altijd handig om de spaghetti af te gieten). Sommige verlichte staten als Oostenrijk, Arizona of Australië erkennen inmiddels de Church of the Flying Spaghetti Monster als een legitieme religieuze beweging, en staan haar leden dan ook toe hun hoofddeksel op te houden voor de pasfoto op hun rijbewijs. Dat is eens wat anders toch, dan dat miezerige gezeur over hoofddoeken hier aan de Noordzee.

Of in Marseille, zoals blijkt uit deze tekst in Le monde libertaire n° 1788 van 4 mei 2017:

« … l’époque où un con eut l’idée d’interdire un fichu sur la tête en croyant s’opposer à d’autres cons qui voulaient l’imposer. De leur affrontement est née une guerre qui ne dit pas son nom et qui n’est pas prête de se terminer, parce qu’elle se nourrit de bien autre chose qu’un morceau de chiffon. Chacun partant à l’assaut, non, plutôt chaque chef envoyant à l’assaut du camp adverse des troupes dont la réflexion se réduit à des slogans. Les cons sont en train de gagner, eux ils ont fait carrière. »

 

oorlog tegen de armen

Sinds 1 juni bedraagt het leefloon (de bijstandsuitkering) in België voor een alleenstaande 884,74 euro per maand. Voor een gezin met minstens één minderjarig ongehuwd kind wordt dat bedrag opgetrokken tot niet minder dan 1.179,65 euro. In 2016 waren er maandelijks gemiddeld 127.022 mensen die een leefloon ontvingen.

Volgens algemeen aanvaarde Europese indicatoren had je in al 2014 als alleenstaande 1.085 euro per maand nodig om niet onder de armoedegrens te zakken. Voor een gezin met twee kinderen rekende men op 2.279 euro per maand. Reken maar uit: met de armoedegrens van drie jaar geleden zou een alleenstaande nu elke maand tweehonderd euro tekort komen om niet in armoede te hoeven leven. Een gezin met twee kinderen dat moet leven van een leefloon heeft 1.100 euro per maand te kort om boven de armoedegrens uit te komen.

Volgens Europees onderzoek uit 2016 behoort 15,5 % van de Belgische bevolking tot de groep met een armoederisico op basis van het inkomen; 5,5 % van de bevolking leeft in ernstige materiële deprivatie. In België loopt volgens deze normen 20,7 % van de bevolking een risico op armoede of sociale uitsluiting. Dit soort cijfers is al heel lang bekend; ondanks nationaal en gewestelijk armoedebestrijdingsbeleid, is daar sinds 2010 nauwelijks wat aan veranderd.

Is er dan eigenlijk wel beleid om de armoede te verminderen of tegen te gaan? Au contraire; volgens de Franse sociologe Monique Pinçon-Charlot is er juist een oorlog bezig van de rijken tegen de armen. Iedereen wordt voortdurend aangemaand om voor zichzelf te zorgen, de nieuwste smartphone te kopen, dertig jaar bij de bank te lenen voor een appartementje, de stomste troep op de baggerbuis te volgen en vooral suf en afgestompt het zuinigheidsbeleid van alle overheden te slikken, ‘want het is crisis’. Dat is volgens Pinçon-Charlot een van de strafste tactische staaltjes van de rijken, de aandeelhouders, de speculanten en hun trawanten: dat zij erin geslaagd zijn hun financiële crisis van 2008 te presenteren als een globale crisis. ‘Hun crisis werd de crisis.’ En dat zij er in geslaagd zijn de rest van de bevolking daarvoor te doen opdraaien (dank aan de sociaaldemocraten). Waarom worden de sociale zekerheid en de openbare dienstverlening afgebroken, terwijl die toch gebaseerd zijn op het idee van solidariteit tussen en voor alle burgers? – Wel, ’t is crisis!

Terwijl de armoedecijfers in België al zeven jaar lang niet wezenlijk veranderen, en nog steeds een vijfde van de Belgische bevolking in of nabij de armoede zit, meldt Apache: ‘Wat SwissLeaks, LuxLeaks, OffshoreLeaks en Panama Papers al deden vermoeden, wordt nu in een studie bewezen: vooral de superrijken zijn goed in het ontduiken van belastingen. Ze ontduiken maar liefst 30 procent van de belastingen die ze zouden moeten betalen, tegenover een gemiddelde ontduiking van 3 procent.’ Apache verwijst naar een brede economische studie waaruit ‘een consistent beeld’ naar voren komt: belastingontduiking neemt toe naarmate rijkdom toeneemt. (En omgekeerd neemt rijkdom ook toe naarmate belastingontduiking toeneemt, neem ik aan.)

Bij die dertig procent belastingfraude gaat het om ‘de superrijken, de 0,01 procent rijksten’. Maar volgens Monique Pinçon-Charlot en haar man, ook socioloog, Michel Pinçon is er sprake van een veel grotere ‘roverskaste’ (une caste prédatrice), die de samenleving van binnenuit uitteert. Na haar financiële crisis van 2008 is die erin geslaagd om via de politiek haar privé-schulden om te zetten in publieke schulden. Bovendien ligt hun grootschalige belastingontduiking mee aan de basis van overheidstekorten en schulden aan de banken – die overigens nooit terugbetaald kunnen worden. Niemand verwacht dat ook; het begrotingstekort is een sociale constructie, net als het tekort in de sociale zekerheid dat dient om pensioenen en uitkeringen laag te houden. En als het aan de politieke partijen ligt die de ideologie van die strijd tegen de armen vertolken, worden ook de laatste structuren van solidariteit afgebroken. Denk aan de uitverkoop van het welzijnswerk in Antwerpen.

Waar klassenstrijd vroeger voorgesteld werd als een strijd van arbeid tegen kapitaal, vindt volgens de Pinçons nu een omgekeerde klassenstrijd plaats: die van de rijken tegen de armen – en dat zowel economisch als ideologisch. Economisch gezien is er de groeiende machtsconcentratie in de bedrijfswereld, waar de voortdurende en toenemende winsthonger van de aandeelhouders bedrijven steeds meer puur laat koersen op rendement op de korte termijn, ten koste van de samenleving als geheel. Eén voorbeeld. De groene Amsterdammer van 1 juni 2017 beschrijft hoe op de laatste jaarlijkse aandeelhoudersvergadering van Shell een resolutie werd ingediend om concrete bedrijfsdoelstellingen te formuleren die in lijn zijn met het klimaatakkoord van Parijs. Meer dan negentig procent van de aandeelhouders stemde tegen. “Waarom zou Shell zichzelf beperkingen opleggen terwijl dit een probleem is van de hele sector? (…) Alleen overheidsmaatregelen kunnen zorgen voor een eerlijk speelveld.” En intussen wordt de overheid steeds verder ontmanteld door diezelfde aandeelhouders, die vinden dat ‘de markt’ volop moet kunnen spelen.

De grote media – die ook steeds nauwer geconcentreerd zitten – spelen uiteraard een belangrijke rol in die oorlog tegen de armen. Het gaat niet alleen om details in het taalgebruik. Zo meldt De Standaard van 31 juli 2015 op de voorpagina dat het aantal jongeren tussen 18 en 25 jaar dat een leefloon geniet met bijna veertig procent is toegenomen. Ja hoor, een leefloon, dat is genieten. Het gaat er meer in het algemeen om dat kijkers en lezers voortdurend behandeld worden als kleuters die niet in staat zijn zelf te denken, en die je ongestoord en permanent kan bestoken met de goorste, stompzinnigste, inhoudsloze bagger, spelletjes en humor. Als dat het nieuwe normaal is, is het geen wonder dat een site als GeenStijl zo’n enorm succes kent.

Maar het gaat verder. Als je erin slaagt om op kleuterfeestjes de moeders in K3-jurkjes te laten rondspringen, dan kan je ook elk klassen- of zelfs standenbewustzijn weggommen. Dan kan je ongestraft die mensen wijsmaken dat het de ondernemers zijn die welvaart creëren, en dat hun rijkdom vanzelf zal doorsijpelen naar de hele samenleving. En dat het de werkers zijn, die ‘ten laste’ komen van de onderneming, of dat de mensen zonder baan ‘genieten’ van hun uitkering of hun pensioen on der de armoedegrens. En als je ze kan pakken terwijl zij dus noodgedwongen zwart bijklussen, zijn zij de fraudeurs.

Dat is de ideologische component van de oorlog tegen de armen, en die wordt met succes uitgevoerd door de politieke partijen onder leiding van de N-VA en Open VLD.

 

ruis

Op Documenta 14 in Athene is een hele zaal van het nationaal museum voor hedendaagse kunst EMST gewijd aan een reconstructie van de Symfonie van de sirenes van Arseni Avraamov. (Sirenes zijn hier niet de mythische vogels met het hoofd van een vrouw die Odysseus probeerden te verleiden, maar fabrieks- of alarmsirenes – een fenomeen dat nu vrijwel verdwenen is; soms kan je ze nog horen wanneer ze getest worden. De sirenes loeien.)

Avraamovs symfonie werd voor het eerst uitgevoerd op 7 november 1922 in de Russische havenstad Bakoe. De uitvoerders en hun instrumenten omvatten verschillende koren, de misthoorns van de hele Kaspische vloot, artillerie- en infanterie-eenheden met hun kanonnen en machinegeweren, watervliegtuigen en alle fabriekssirenes in de stad. Avraamov had ook een draagbaar apparaat laten maken met gestemde stoomfluiten, zodat hij hiermee de Internationale kon uitvoeren. De componist/dirigent stond op een speciaal gebouwde toren en leidde het concert met gekleurde vlaggen en veldtelefoons. In het EMST is een reconstructie te horen.

Het werk was bedoeld als herdenking van de Oktoberrevolutie, vijf jaar eerder, en wilde de ‘vrolijke chaos’ laten horen van de klank van wapens, machines en arbeiders op de avond van de bestorming van het Winterpaleis in Sint-Petersburg. Avraamov wilde de bevrijding vieren, zowel die van het proletariaat als die van de machines, beide onderworpen waren het kapitalistisch systeem.

Tiens, de bevrijding van de machines? Was dat ook niet wat de Italiaanse futuristen in die tijd bepleitten? Geen symfonieën meer met uitgebalanceerde harmonieën, wel de ‘brutale klanken en expressieve kreten van het gewelddadige leven dat hen omringt’. Dat is Filippo Tommaso Marinetti in 1912. Toevallig was ik in Athene net begonnen aan L’arte dei rumori, een pamflet uit 1916 van een andere Italiaanse futurist, Luigi Russolo. “Wij futuristen hebben allen intens gehouden en genoten van de harmonieën van de grote meesters. Beethoven en Wagner hebben jarenlang onze zenuwen en ons hart geraakt. Vandaag zijn wij dat beu en genieten wij meer van de ideale combinatie van het lawaai van trams, ontploffingsmotoren, treinen en luidruchtige menigten, dan van het opnieuw beluisteren van bijvoorbeeld de Eroica of de Pastorale.”

Het futurisme – zowel het Russische als het Italiaanse – is een eloge van de beweging van de stad en van de machine, in woord, beeld en klank. Knarsende klanken, hoekige lijnen, schreeuwerige tonen, hijgende adem (Maiakovski). (Waar ze van elkaar verschillen, is in het politieke vaarwater dat zij zelf kiezen. Marinetti sluit zich al heel vroeg aan bij de fascisten van Mussolini en zal tot zijn dood in 1944 het regime in woord en daad steunen. De Russische futuristen van hun kant proberen hun artistieke opvattingen ten dienste te stellen van het bolsjewisme: Avraamov, Maiakovski, Dziga Vertov, …)

 L’arte dei rumori is opgevat als een manifest, dus compact in zijn redenering. Russolo stelt dat het antieke leven volledig uit stilte bestond. Buiten watervallen, stormen of aardverschuivingen waren er geen luide, gevarieerde of langdurige geluiden. “Pas in de negentiende eeuw, met de uitvinding van de machine, wordt il Rumore geboren. Vanaf dan gaan muziekklanken zich geleidelijk ontwikkelen tot iets wat lijkt op suono-rumore (klank-rumoer). De verspreiding en ontwikkeling van nieuwe machines, niet alleen in de stad maar ook op het platteland,  leiden tot de creatie van RUMORE MUSICALE.” (De keuze voor hoofdletters en vet is van Russolo.) Maar uiteindelijk, zegt hij, is het traditionele instrumentarium te weinig gevarieerd om de variëteit aan klanken uit het werkelijke leven recht te doen. Men moet de beperkingen van de bestaande muziekinstrumenten doorbreken en de oneindige variëteit aan suoni-rumori veroveren. “Als wij vandaag, nu wij misschien duizend verschillende machines bezitten, duizend verschillende geluiden kunnen onderscheiden, dan zullen wij morgen, met de veelheid aan nieuwe machines, tien, twintig of dertigduizend verschillende rumori kunnen onderscheiden, niet om ze simpelweg te imiteren, maar om ze te combineren volgens onze eigen fantasie.”

Er is iets intrigerends met de terminologie in dit verhaal. Russolo heeft het over suono (klank), maar vooral over rumore, wat in het Nederlands spontaan begrepen kan worden als gerucht, maar ook als rumoer, dat dan zelf weer de insinuatie inhoudt van herrie, lawaai, een ongedifferentieerde klankenmassa. In de Engelse teksten over Avraamov en Russolo worden die termen sound en noise (inderdaad lawaai, herrie, rumoer, ruis). In diezelfde periode, aan het begin van de twintigste eeuw, krijgt het concept ruis ook steeds meer erkenning op een ander terrein, namelijk in de wetenschapsfilosofie. Onder meer als gevolg van de ingebruikname van gesofisticeerde meetapparatuur, wordt het steeds duidelijker dat je kennis niet kan terugvoeren tot het begrip van een aantal wetmatigheden. De wereld is niet te begrijpen door ze onder te brengen in natuurwetten of sociale wetten, en elementen die vroeger in de wetenschap beschouwd werden als afwijking of ruis, omdat men ze niet in een wet kon onderbrengen, zijn eigenlijk een fundamenteel element van kennis. Lange tijd – en hier ligt de culturele basis van de moderniteit – ging men ervan uit dat de wereld aan wetten gehoorzaamde, dat men die wetten kon kennen, en dat men wat niet in een wet paste als een afwijking van de hand diende te wijzen. Maar als je begint te ontdekken dat er te veel fenomenen zijn die niet in wetmatigheden passen, wordt het tijd om vast te stellen dat je misschien het concept wet en de noodzaak eraan fundamenteel moet herzien. Wat afwijkt van de wet is dan niet langer een foutje, maar wordt juist een belangrijk element om te begrijpen wat er eigenlijk aan de hand is.

Vandaag verenigt het begrip ruis de twee benaderingen: het geheel aan rumoer dat een wezenlijk onderdeel is van het contemporaine dagelijks leven, en de informatie die niet te begrijpen is binnen erkende wetmatigheden. Vanaf de jaren 1960 trekt John Cage, in theorie en praktijk, de idee dat werkelijk alle geluiden – en ook de afwezigheid van geluid – volstrekt gelijkwaardig materiaal zijn voor een compositie door tot in zijn uiterste anarchistische radicaliteit. Geen determinering, geen hiërarchie, alles is het waard om op evenwaardige basis gehoord te worden. Ook in de elektronische muziek vanaf de late twintigste eeuw wordt ruis erkend als een volwaardig muzikaal element. Technisch gaat het dan volgens een Cursus Elektronische Muziek Technieken om “de samenklank van zeer veel frequenties die onvoorzienbaar en uiterst snel veranderen. Niet alleen de frequenties wisselen voortdurend maar ook hun amplitude is onvoorspelbaar. Deze wisselingen leveren de ruis op. Men kan bepalen in welk deel van het audiospectrum (20 - 20.000 Hz.) deze ruis kan voorkomen. Indien men al de frequenties van het audiospectrum tussen de 20 en de 20.000 Hz. laat overkomen dan spreekt men van ‘witte ruis’ analoog met de spectrale samenstelling van wit licht.” In de communicatiewetenschappen staat ruis echter voor een teveel aan informatie; ruis is een totaliteit aan signaal waarbij je geen onderscheid meer kan maken tussen de betrokken onderdelen.

 

ag tog!

"Waalse biotechnologie daagt Vlaanderen uit"

De Standaard, 7-8 april 2017

"Parijs Roubaix: Van Avermaet redt Vlaamse eer"

De Standaard, 10 april 2017

la CIA et les intellectuels français

Après l’avoir purifiée (sanitized), la CIA états-unienne (Central Intelligence Agency) a  rendu publique en 2011 une note de recherche intitulée France : Defection of the Leftist Intellectuals (France : la défection des intellectuels de gauche)[i]. Le document original confidentiel date de fin 1985 et fut élaboré au sein de l’Office for European Analysis.

D’abord rappelez-vous le contexte politique. On est encore en période de guerre froide. L’OTAN a l’intention de déployer en Europe de l’ouest près de six cents  missiles de croisière conçus pour le transport de têtes nucléaires. Partout en Europe se tiennent d’énormes manifestations contre l’OTAN et les Etats-Unis et leur politique d’armement. L’Union Soviétique existe encore, même si elle fait déjà l’expérience de fortes résistances organisées en Europe de l’est. En France, François Mitterrand a entamé la deuxième moitié de son premier  septennat présidentiel. Le gouvernement va de crise en crise. Sa politique économique et sociale ne cesse de décevoir l’électorat de gauche ; au gouvernement  Fabius de 1984 les quatre ministres communistes du PCF ont été remplacés. Une année plus tard, en 1986, l’union de la gauche perdra sa majorité à l’Assemblée Nationale.

L’étendue de la note est formulée ainsi : Intellectuals have traditionally played  an influential role in French political life. Even though they have seldom sought a direct part  in formulating policy, they have conditioned the atmosphere in which polities are conducted and have frequently served as important shapers of the political and ideological trends that generate French policy. Recognizing  that  their influence on policymaking is difficult to measure, this paper focuses on the changing  attitudes of  French  intellectuals  and gauges the probable  impact on the political  environment  in which  policy  is made.

L’auteur/e de la CIA situe son rapport également dans le contexte d’un nouveau climat d’opinion intellectuelle en France, une atmosphère d’antimarxisme et d’antisoviétisme qui devrait rendre difficile toute mobilisation intellectuelle plus ou moins importante contre la politique états-unienne. D’ailleurs, il serait douteux que des intellectuels français voulussent encore – comme auparavant – soutenir des collègues européens hostiles envers par exemple la politique d’armement des Etats-Unis. Dorénavant, ce serait l’Union Soviétique qui aurait à se défendre contre les intellectuels de la Nouvelle Gauche, selon le rapport.

Les ‘intellectuels’ dans cette histoire, ce sont des journalistes, artistes, écrivains, profs, … ‘qui ont créé pour eux-mêmes un rôle d’interprétateurs de la tradition politique, c.à.d. des acquis de la Révolution française’. Dans son introduction l’auteur écrit : Intellectuals matter in France, probably more than in most Western democracies. They have traditionally played a key role in the political process as apologists for the positions of various parties and as important window dressing in the quest for domestic and international respectability. Moreover, they are listened to – talk shows and magazines featuring heavy doses  of intellectual debate are very popular. For a variety of complex reasons, the left has claimed the vast majority of intellectuals since World War II and has provided some of them with substantial leadership roles. French intellectuals have routinely defended the domestic schemes of both Socialists (PS) and Communists (PCF), and they have led the charge against US policies in Europe and the Third World. President Mitterrand – an intellectual in his own right – has surrounded himself with "thinkers" and offered many important positions in his government to well-known intellectuals.

Pourtant, l’échec de Mitterrand à gagner au cours de son mandat ce support historiquement fort des intellectuels de gauche reflèterait un changement qui pourrait présager un nouveau rôle pour l’intelligentsia. No longer can his Socialist Party rely on the intellectuals to provide a rationale for its policies  and actions  and to sell that rationale to a  French public that has customarily placed great store in the explanations  of  its intellectual élites.

Dans les quinze pages qui suivent, l’auteur développe deux trains de pensées. D’une part, il y aurait un tournant historique causé par le silence des intellectuels de gauche, d’autre part il constate une tendance répandue à abandonner toute idéologie en faveur d’une approche de la politique plus pragmatique, qui d’ailleurs saperait la stature des intellectuels en général. Indépendamment du déclin général de la philosophie d’inspiration marxiste, l’auteur attribue un rôle important dans ce tournant au soi-disant ‘nouveaux philosophes’ (Bernard-Henri Levy, André Glucksmann, Alain Finkielkraut). Pourtant, bien que ce ‘groupe de renégats du Parti Communiste, qui ont rejeté le marxisme et ont développé une profonde antipathie envers l’Union Soviétique’ soient devenus des personnalités médiatiques excitantes,  il faut constater selon l’auteur que le climat antimarxiste et anti-soviet est devenu entretemps tellement dominant que les nouveaux philosophes n’ont plus rien de neuf à dire.

Je crois que la CIA a eu raison dans son constat de l’abandon des intellectuels de gauche et de la dissipation du climat anti-états-unien, mais que l’explication de ce phénomène est plus complexe que suggère le condensé dans le rapport. Dès les années soixante, dans le domaine de la philosophie, les influences marxistes de l’après-guerre ont été refoulées par entre autres des méthodologies (post-)structuralistes (Lévi-Strauss, Foucault, …), dans lesquelles les concepts marxistes du sujet comme acteur et de la nécessité historique n’avaient plus de place. Et en ce qui concerne le domaine politique, dès 1968 le PCF et son secrétaire général Georges Marchais avaient perdu rapidement toute crédibilité par leur communisme rigide, pour ne pas dire stalinien, à un moment où la gauche et les nouvelles forces sociales furent séduites par les cent fleurs de l’anarchisme, le trotskysme, le maoïsme, les interventions de Sartre et de Foucault, le féminisme, le tiers-mondisme, l’action directe et les comités de base, l’imagination au pouvoir et la plage sous les pavés.

Puis, il y avait le constat amer de Jean Baudrillard du paradoxe de la ‘gauche divine’, au pouvoir depuis quelques années, mais tout à fait inconsciente et ignorante de la plus totale indifférence des masses. « Le socialisme arrive au pouvoir quand toutes les énergies de dépassement, les énergies sociale de rupture, les énergies culturelles alternatives se sont plus ou moins épuisées », écrivit-il ; mais c’est justement par la grâce de cette indifférence que la gauche a pu conquérir le pouvoir, parce que rien de ce qu’elle avait à offrir pourrait faire la différence. Tout ce que la gauche institutionnelle réalisait n’était que la continuation du néo-libéralisme de la droite précédente.

Peut-être plus ou moins en résultante de ces deux évolutions, il y en eut une troisième : l’antagonisme capitalisme – socialisme cède progressivement à l’antagonisme totalitarisme – démocratie. Même les groupuscules de la gauche activiste changeaient peu à peu de perspective. Si l’appareil d’état fut dans un certain temps ‘fasciste’ et les syndicats bloquèrent la lutte de classe, ces mêmes gauchistes devinrent – avec leurs alliés des syndicats – les promoteurs des droits de l’homme et les défenseurs de la démocratie.

Mais oui, en effet, l’attitude critique envers les Etats-Unis a pratiquement disparu. Ce n’est peut-être qu’un détail, mais un détail bien révélateur : aujourd’hui l’adjectif ‘américain’ est employé sans scrupules pour désigner les Etats-Unis, même dans ces cas où l’on parle des relations avec d’autres états indépendants sur les continents américains, comme ‘la politique américaine par rapport au Mexique’. Luce Irigaray le savait déjà en cette même année 1985 : Parler n’est jamais neutre. Les nouveaux philosophes n’ont plus rien de nouveau. Au contraire, au fil du temps ils se sont montrés de plus en plus conservateurs, défenseurs d’une hégémonie états-unienne, sionistes et anti-arabes, nationalistes bornés et toujours plaignant le déclin de l’Ouest et ses valeurs universelles.

Et pourtant, depuis ces mêmes années 1980 il y a aussi une sorte de renaissance de l’intelligentsia communiste. Des intellectuels comme Antonio Negri, Gilles Deleuze et Félix Guattari, Gianni Vattimo, Jean-Luc Nancy, Alain Badiou, Slavoj Zizek, … se réclament d’une nouvelle pensée communiste. Certes, ce communisme n’a plus rien à voir avec le parti comme avant-garde du prolétariat, ni même avec la lutte des classes, mais avec la défense des biens communs et la résistance mondiale et locale au pillages néo-libéraux.  En 1996 Antonio Negri publie un recueil de courts écrits datant de la période 1989-1995 sous le titre L’inverno è finito (L’hiver est fini). En 2013, le sociologue marxiste Vivek Chibber écrit, dans la version du Monde diplomatique/Manière de voir : « Après un hiver que l’on croyait sans fin,  on assiste au retour d’une résistance mondiale contre le capitalisme, … »[ii] Peut-on espérer ?

 


[i] Merci à Foucault News pour la publication de ce document.          

[ii] Vivek Chibber, ‘L’universalisme, une arme pour la gauche’, Manière de voir, 152, avril-mai 2017, 29-34.

 

 

ag tog!

daklozen, G4S en israël

Het leidde tot enig ophef afgelopen najaar: de beslissing van het Antwerpse OCMW om het inloopcentrum voor daklozen De Vaart voortaan te laten uitbaten door een consortium van G4S Care en hotelketen Corsendonk. In december schorste de provinciegouverneur het OCMW-besluit, maar dat betekent niet dat daarmee G4S uit het zicht verdwenen is.

G4S Care is een onderdeel van G4S, een Brits bedrijf dat wereldwijd expertise en mensen verhuurt op het gebied van bewaking, geldtransporten, elektronisch toezicht, opleiding van veiligheidspersoneel, event solutions en nog veel meer. Op de Belgische website meldt het bedrijf trots ‘G4S Care zet goed werk voort na afbouw van asielopvang’. Dat goede werk willen zij o.m. voortzetten in de opvang van daklozen, “waar we zien dat we met onze methodiek en visie wel degelijk iets kunnen betekenen.” 

G4S doet ook goede werken in Israël. Het bedrijf levert materieel en diensten aan vijf Israëlische gevangenissen, geeft politietrainingen en helpt bij de bewaking van checkpoints, militaire bases en nederzettingen. Op die manier is het rechtstreeks betrokken bij de bezetting van Palestina en bij de detentie van zo’n zevenduizend Palestijnse politieke gevangenen.

G4S is dan ook een doelwit van de BDS-beweging: Boycot, Divestment, Sanctions. De bedoeling van de beweging is om, naar analogie met destijds de – economische, academische, culturele, sportieve – boycot van (handelspartners van) Zuid-Afrika tijdens de apartheid, nu Israël te dwingen de fundamentele rechten van de Palestijnen te erkennen. BDS claimt een aantal successen in haar campagne tegen G4S; zo zou bijvoorbeeld de Bill Gates Foundation haar aandelen in het bedrijf verkocht hebben.

Onlangs haalde Boycot, Divestment, Sanctions een eerste succes in Ecuador, en wel tegenover G4S. Het befaamde CIESPAL (Centro Internacional de Estudios Superiores de Comunicación para América Latina) in de hoofdstad Quito beëindigde zijn contract met de bewakingsfirma omwille van haar medewerking aan Israëlische schendingen van de mensenrechten in Palestina.

Het is misschien een druppel op een gloeiende plaat, maar alle beetjes helpen. En wat in Quito kan, moet in Antwerpen toch ook kunnen?

 

verkiezingen en rechtsstaat

Een commissie van de Nederlandse Orde van Advocaten heeft een quick scan uitgevoerd van de voorstellen rond aspecten van de rechtsstaat in de partijprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart. Achtentwintig partijen zullen daar aan deelnemen. De Orde van Advocaten heeft de programma’s bestudeerd van de dertien partijen die in december 2016 met twee of meer zetels in de Kamer zaten. (In de maanden voorafgaand aan de verkiezingen zaten zeventien fracties in de Tweede Kamer, waaronder zes die zich gedurende de regeringsperiode 2012-2017 van een van de bestaande partijen afsplitsten. De partijprogramma’s van twee van die afsplitsingen, DENK en VNL, zijn bij de doorlichting van de commissie meegenomen, omdat zij momenteel met een fractie van twee leden in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn. Verkiezingsprogramma’s van eenmansfracties heeft de commissie buiten beschouwing gelaten.)

De commissie, die bestond uit vijf eminente juristen, heeft in de partijprogramma’s vijf trends onderscheiden die in relatie staan met het behoud of de versterking van de rechtsstaat. Het gaat om immigratie en grondrechten, bestrijding van terrorisme en jihadisme, staatsrechtelijke hervormingen, recht en digitalisering, en Europa en de internationale (handels)verdragen. Op die deelterreinen heeft zij de voorgestelde maatregelen onderzocht naar hun rechtsstatelijke kwaliteit. Zij heeft alle relevante voorstellen getoetst aan drie minimumeisen:

·         De overheid is zelf gebonden aan het geldend recht en aan rechterlijke uitspraken. Haar beleid moet ten opzichte van de burgers voorspelbaar en controleerbaar zijn;

·         Fundamentele rechten en vrijheden van burgers worden geëerbiedigd;

·         Iedereen moet een effectieve toegang tot een onpartijdige en onafhankelijke rechter hebben.

De commissie wilde niet iedere keer inhoudelijk op de voorstellen ingaan, maar heeft ze wel elk ruwweg gekwalificeerd in drie categorieën:

·         Plannen die de rechtsstaat (kunnen) verbeteren (groen)

·         Plannen die (kunnen) afdoen aan de rechtsstaat (oranje)

·         Plannen die regelrecht in strijd zijn met de rechtsstaat (rood)

Het ziet er misschien wat kinderlijk uit, met die drie kleuren, maar je kan er natuurlijk wel een mooi overzichtje mee maken, dat kan helpen voor wie op 15 maart bezorgdheid om de rechtsstaat wil uitdrukken.

De commissie formuleert zelf deze conclusie:

“Hoewel de rechtsstaat in 2017 bij veel politieke partijen op de agenda staat, levert de beoordeling door de commissie een onrustig beeld op. Bij vijf van de dertien onderzochte verkiezingsprogramma’s heeft de commissie maatregelen gevonden die met de minimumeisen van de rechtsstaat strijden en daarom als “rood” zijn gemarkeerd, vaak omdat zij rechtstreeks ingaan tegen fundamentele rechten en vrijheden van mensen of inbreuk maken op het recht op een behoorlijk proces.7 Het gaat daarbij vooral om maatregelen rond terrorisme, jihadisme, vluchtelingen, islam en immigratie, thema’s die de afgelopen jaren sterk de aandacht trokken. De commissie merkt op dat de grote maatschappelijke uitdagingen van deze tijd de fundamenten van onze rechtsstaat daadwerkelijk onder druk zetten. Willen we de rechtsstaat behouden, dan zullen we in antwoord op dreigingen van buitenaf steeds naar die maatregelen moeten zoeken die onze rechtsstaat zelf geen geweld aandoen. Wie ter bescherming van onze democratische rechtsstaat bereid is om de rechtsstaat zelf te ondermijnen, bijvoorbeeld door bepaalde groepen burgers voortaan als tweederangs te behandelen of uit te sluiten van rechten, vormt zelf een bedreiging voor de vrijheden die het fundament van onze samenleving vormen.

Wat het onrustige beeld versterkt, is de opvallende staatsrechtelijke hervormingsdrift die in veel programma’s naar voren komt. De wijze waarop het machtsevenwicht in de democratische rechtsstaat op dit moment is georganiseerd, is geen vanzelfsprekendheid meer. Ook de digitalisering zorgt voor grote veranderingen en kan onze vrijheden versterken, maar ook verzwakken, bijvoorbeeld als maatregelen om het internet te beveiligen inbreuk maken op het recht op privacy.

De commissie wil niet de indruk wekken dat elke verandering verkeerd is. Onze rechtsstaat is dynamisch en ook onze vrijheden liggen niet vast. Veel kritische signaleringen van de commissie zijn daarom niet rood, maar oranje. Daarmee heeft de commissie willen aangeven dat deze voorstellen nog eens grondig moeten worden bekeken, omdat zij in rechtsstatelijk opzicht vragen oproepen, bijvoorbeeld omdat zij niet in overeenstemming zijn met bestaande regels en afspraken.

Er is bovendien ook goed nieuws. Meer dan in de vorige verkiezingsronde stelt de commissie vast dat de rechtsstaat als een relevant thema wordt benoemd in veel van de programma’s. Het blijft niet bij algemene steunbetuigingen; veel partijen doen voorstellen die een concrete versterking van onze rechtsstaat inhouden. De commissie wil speciaal daarop de aandacht van kiezers en gekozenen vestigen. Deze voorstellen zijn het overdenken waard bij het streven naar een steeds betere rechtsstaat. Daaraan geven wij gezamenlijk vorm.”

Opvallend vind ik zelf de ChristenUnie: haar vijf relevante voorstellen die de Orde van Advocaten heeft onderzocht, horen alle in de categorie ‘kunnen de rechtsstaat verbeteren’. Ook de SP, de Partij voor de Dieren, PvdA, D66 en GroenLinks lijken overwegend een versterking van de rechtsstaat voor te stellen.

 

Syndicate content