gelezen

porno-guru

Universiteit Antwerpen heeft het archief van podiumkunstentijdscrift Etcetera gedigitaliseerd en online gezet. Uitstekend idee. Daarbij werden  de eerste 114 nummers van Etcetera uit de periode van januari 1983 tot december 2008 gescand, naar tekst omgezet met OCR-software en gecorrigeerd. Dat digitaliseringsproces werd uitgevoerd door drie stagestudenten. Zo ver alles goed.

Alleen, ik weet uit ervaring dat de meeste OCR-software (optical character recognition) enige moeite heeft met tekens die op elkaar lijken. Het onderscheid tussen hoofdletter I, kleine letter l en 1 is niet altijd waarneembaar. Hetzelfde voor hoofdletter O en cijfer 0. Bij sommige lettertypes zelfs tussen cijfer 9 en de letter g.

Toevallig stuitte ik in dat UA Archief Etcetera op een artikel van mij uit 1992, ‘De tragedie van het luisteren - Moderne opera tussen muziek en theater’. En zoals dat gaat, je leest al eens terug wat je vijfentwintig jaar geleden hebt geschreven. Ik was niet weinig verbaasd toen ik onder het kopje ‘De zoektocht van Nono’ een verwijzing vond naar porno-guru Massimo Cacciari. Nu weet ik zeker dat ik de filosoof en politicus Cacciari (zijn Icone della legge is een boek waar ik een tijdlang regelmatig naar teruggreep) nooit een porno-guru zou genoemd hebben. En inderdaad, de papieren versie van het tijdschrift (hier of hier) laat zien dat ik het had over een pomo-guru. ‘Pomo’ was in die tijd de ironisch tot denigrerende afkorting van ‘postmodern’. In mijn gebruik van de term in dat artikel zal de lading wel ergens tussen de twee benaderingen in gezeten hebben.

Dat roept bij mij enkele vragen op. Kan je van studenten verwachten dat zij, wanneer zij in een tekst de term ‘porno-guru’ tegenkomen, zich afvragen wat die term in die context komt doen? Wat stellen zij zich voor bij een porno-guru? En vervolgens, doet de combinatie met de naam Massimo Cacciari niet een belletje rinkelen?

Niet dus. Daaruit blijkt dus dat zowel pomo als Massimo Cacciari geen deel (meer) uitmaken van de culturele bagage van UA-studenten. Porno wel.

 

Herculine Barbin 2

In relatie tot mijn blogje Herculine Barbin 1, hieronder een aankondiging vanop de onvolprezen website Foucaultnews.com:

Michel Foucault, Herculine Barbin dite Alexina B.

Première parution en 1978

Postface d’Éric Fassin

Nouvelle édition suivie d’Un scandale au couventd’Oscar Panizza en 2014

Hors série Connaissance, Gallimard
Parution : 13-03-2014
 
En 1868 à Paris, rue de l’École-de-Médecine, un homme se donne la mort en laissant à la postérité un manuscrit autobiographique. C’est l’«Histoire d’Alexina B.» que publiera en 1874 un grand notable de la médecine légale, Ambroise Tardieu. Pour celui-ci, il s’agit des «souvenirs et impressions d’un individu dont le sexe avait été méconnu», bref, d’un «pseudo-hermaphrodite». En 1860, à plus de vingt et un ans, Herculine Adélaïde Barbin, surnommée Alexina, devenait Abel en changeant de sexe à l’état civil. Sa plume passionnée raconte les tourments et les émois de la jeune fille, et s’achève sur l’amer désespoir de l’homme.

En 1978, Michel Foucault publie ce document remarquable, assorti d’un dossier historique, pour inaugurer une collection éphémère : «Les vies parallèles». À l’assignation médicale, depuis le XIXe siècle, d’un «vrai sexe», le philosophe de l’Histoire de la sexualité répond, dans la préface qu’il donne à la traduction américaine en 1980, en invoquant les «délices» d’une vie «sans sexe certain».

Pour la première fois sont inclus dans l’édition française d’Herculine Barbin dite Alexina B., épuisée depuis des années, ce texte important de Foucault ainsi que la nouvelle «Un scandale au couvent» du médecin allemand Oscar Panizza, qui en proposait une version romancée au tournant du XXe siècle. La postface d’Éric Fassin souligne enfin combien le développement des gender studies mais aussi celui du mouvement «intersexe» engagent aujourd’hui à relire ce récit remarquable où Herculine/Abel s’invente un «vrai genre».

 

Amiri Baraka 1934-2014

Amiri Baraka (LeRoi Jones) is dood. Het was mij ontgaan in de Nederlandstalige pers, maar in de obituaries die op het internet te vinden zijn wordt hij vrij algemeen geprezen als een van de invloedrijke jazz-critici van de jaren 1960 en ’70, als een van de belangrijke Noord-Amerikaanse avant-garde dichters en als een van de grondleggers van black theatre. En dat is allemaal waar.

LeRoi Jones groeide op in Newark, de belangrijkste stad in New Jersey, een stad met een overwegend zwarte bevolking, die echter tot aan het eind van de twintigste eeuw gedomineerd zou worden door een blanke minderheid. En gedomineerd betekent dan het inmiddels bekende verhaal van racisme, achterstelling, discriminatie, armoede, politiegeweld, enzovoort. In de jaren 1950 begon hij naam te maken als dichter, en in de jaren zestig trok hij naar New York om zich in de heftig veranderende jazz scene te storten. Zijn bundel essays Blues People werd in 1967 gevolgd door Black Music. Die bundel verzamelde stukken waarin Jones de nieuwe avant-garde jazz introduceerde: Coltrane in Birdland, Wayne Shorter, Cecil Taylor, Archie Shepp, Don Cherry, … (hij schreef bijvoorbeeld ook de liner notes voor Four for Trane). In diezelfde periode nam hij ook met het New York Art Quartet zijn beroemde/beruchte gedicht Black Dada Nihilismus op.

Militant Afro-Amerikaans nationalisme ging steeds meer de inhoud van zijn essays, poëzie en theaterwerk bepalen. In 1966 schreef hij in het essay ‘The Revolutionary Theatre’: “Our theatre will show victims so that their brothers in the audience will be better able to understand that they are the brothers of victims, and that they themselves are victims if they are blood brothers. [-] The popular white man’s theatre like the popular white man’s novel shows tired white lives, and the problems of eating white sugar, or else it herds bigcaboosed blondes onto huge stages in rhinestones and makes believe they are dancing or singing. WHITE BUSINESSMEN OF THE WORLD, DO YOU WANT TO SEE PEOPLE REALLY DANCING AND SINGING??? ALL OF YOU GO UP TO HARLEM AND GET YOURSELF KILLED. THERE WILL BE DANCING AND SINGING, THEN, FOR REAL!!”

In 1979 geeft hij zijn bundel Selected Plays and Prose of Amiri Baraka/LeRoi Jones deze opdracht mee:

 

 

Wie Kelly, Lisa & Dominique zijn, weet ik niet, maar toen ik Amiri Baraka in 1980 bij hem thuis, in Newark, ontmoette, was het enige waarover hij wilde praten de vorming van de Afro-American Nation in the Black Belt South. Ik had hem zes weken telefonisch nagejaagd vanuit Manhattan voor een interview over avant-garde theater (zie http://durieux.eu/sites/default/files/data_000.pdf). Toen hij eindelijk toehapte bezwoer hij  ons op hem te wachten aan het station. Volgens hem was het nog steeds niet veilig om als witte op eigen houtje naar hem toe te komen. Wat daar ook van zij, de stad lag nog steeds in grote mate in puin sinds de opstand van 1967. In dat jaar was de opgekropte frustratie van de zwarte (en hispanic) bevolking uitgebarsten en kwam het tot dagenlange massale gevechten met de politie. Er vielen 26 doden en delen van de stad brandden af. Daarvan waren de sporen nog steeds zeer zichtbaar.

Bij hem thuis profileerde Amiri Baraka zich nog uitsluitend als een marxistisch-leninistische nationalistische Afro-Amerikaan, die inderdaad maar één doel voor ogen had: de vorming van een autonome Afro-Amerikaanse natiestaat in de zuidelijke staten van de VS. Over theater wilde hij amper nog praten, en wat avant-garde jazz betrof, wilde hij alleen kwijt dat hij Anthony Braxton (toen toch zwarte avant-garde) intellectualistisch gepriegel voor blanken vond, dat niets met de ware zwarte jazz te maken had.

Los daarvan, the lp met het New York Art Quartet (Roswell Rudd, John Tchicai, Lewis Worrell, Milford Graves – ESP-DISK’ 1004) blijft een fenomeen; Black Music is nog steeds een erudiet en doorleefd portret van de NY-avant-garde jazz scene van het begin van de jaren 1960; zijn theater is van een kracht, zowel in thema’s als in taal, die indruk blijft maken. Hieronder (in vier jpg’s de volledige tekst van Black Dada Nihilismus, zodat je de beruchte passage in haar context kan lezen):

 

 

 

 

 

 

Mba-Kajere

 

Mba-Kajere, zomer 1998

 

Werkwoord

 

“Ik leef nu op aarde en weet niet wat ik ben.

Ik weet dat ik geen categorie ben.

Ik ben geen ding – een zelfstandig naamwoord.

Het lijkt erop dat ik een werkwoord ben.”

R. Buckminster Fuller

 

Links-liberalisme?

 

In het eerste gedeelte van het boek schetst de auteur de historisch-filosofische achtergrond van het ideeëngoed dat hij resoluut links-liberalisme noemt (en niet sociaal liberalisme, of links liberalisme). In het tweede gedeelte beschrijft hij hoe en waar dat gedachtegoed terug te vinden is in de hedendaagse West-Europese politiek, …

Enerzijds is het maar de vraag of politieke partijen hun ideologie baseren op rechtvaardigheidstheorieën, die volgens de auteur wel de grond vormen van het huidige links-liberalisme. Anderzijds kan je je ook afvragen of iemand die het links-liberalisme als politieke leidraad neemt, dat vandaag nog zou willen realiseren via de bestaande politieke partijen (de logica van politieke representatie).”

Een fragment uit de bespreking van

Herman Lauwers, Links-liberalisme. Niemand is burger zonder land. Kalmthout, Pelckmans, in Oikos nr. 64, 2013/1, 76-78.

De volledige tekst vind je hier.

 

Jodi Dean

“For the left to be able to make a break we have to speak a language that is not already the one we’re in”, political scientist Jodi Dean states in an interview in Krisis – Journal for contemporary philosophy. What she’s referring to are the contemporary calls for more ‘direct democracy’, as an alternative for the worldwide failing electoral regimes of representative or even participatory democracy. Calls for democracy, without asserting the class basis of societies, only lead to a reinforcement of what she calls ‘neoliberal fantasy’. “... democracy is a kind of ambient milieu, it’s the air we breathe, everything is put in terms of democracy nowadays. [-] ... the rhetoric of democracy is particularly strong now in the way in which it is combined with the form of capitalism I call ‘communicative capitalism’, where ideals of inclusion and participation, of making one’s voice heard and one’s opinion known are also used by T-Mobile and Apple. Participation ends up being the answer to everything.”

However, since the rise of post-structuralism we know: as far as reality is discursive, any critical discourse will participate in the construction of the world it describes or criticizes. A discourse that positions itself in contradiction to a dominant structure is already integrated in the discontinuity and complexity of existing discourses. For the Internationale Situationniste this was the main question: is a resistance possible that cannot be recuperated in the society of spectacle?

Guy Debord’s answer was: “It is obvious that no idea can lead beyond the existing spectacle, but only beyond the existing ideas on the spectacle”. And so yes, criticism can be spectacularized or commodified by separating it from the practice it advocates and placing it in the petrified ahistoricism of the spectacle, as philosopher Sadie Plant once wrote, but this does not mean that there is no possibility of using these constructions to think beyond the ends to which they are presently employed, if one acknowledges the historical consciousness of the possibility of their authentic realisation. [A bit problematic, this last part of the sentence, since it would imply that there exists something like an authentic realisation – but that’s another story.]

Accepting that the language and values with which criticism is expressed are defined by the existing social and discursive relations only enforces the need for a critical attitude to all existing conceptualisations and values, since these are necessarily the tools with which the existing reality must be undermined and which must be used against the structures within which they have developed. And Jodi Dean’s suggestion of a renewed use of the term ‘communism’ is not really convincing when it comes to deciding between choosing “a language that is not already the one we’re in” or a terminology that is enclosed “in the construction of the world it describes or criticizes”.

See the next contribution on this blog.

Banalités de base

«  Survivre nous a, jusqu’à présent, empêchés de vivre. C’est pourquoi il faut attendre beaucoup de l’impossibilité de survie qui s’annonce désormais avec une évidence d’autant moins contestable que le confort et la surabondance dans les éléments de la survie nous acculent au suicide ou à la révolution. »

Voilà ce qu’écrivit Raoul Vaneigem en 1962 dans internationale situationniste n° 7. Le petit paragraphe 6 dont ces phrases forment la conclusion, commence ainsi : « Il faut comprendre la fonction de l’aliénation comme condition de survie dans ce contexte social. Le travail des non-possédants obéit aux mêmes contradictions que le droit d’appropriation particulière. Il les transforme en possédés, en fabricants d’appropriation et en auteurs de leur propre exclusion mais il représente la seule chance de survie pour les esclaves, les serfs, les travailleurs, si bien que l’activité qui fait durer l’existence en lui ôtant tout contenu finit par prendre un sens positif par un renversement d’optique explicable et sinistre. Non seulement le travail a été valorisé (…) mais, très tôt encore, travailler pour un maître, s’aliéner avec la bonne conscience de l’acquiescement, est devenu le prix honorable et à peine contestable de la survie. La satisfaction des besoins élémentaires reste la meilleure sauvegarde de l’aliénation, celle qui la dissimule le mieux en la justifiant sur la base d’une exigence inattaquable. L’aliénation rend les besoins innombrables parce qu’elle n’en satisfait aucun; aujourd’hui, l’insatisfaction se mesure au nombre d’autos, frigos, TV : les objets aliénants n’ont plus la ruse ni le mystère d’une transcendance, ils sont là dans leur pauvreté concrète. Le riche est aujourd’hui celui qui possède le plus grand nombre d’objets pauvres. »

Tiens, justement aujourd’hui se tenait à Bruxelles le colloque Stilte werkt, offert à tous ceux et celles qui « désirent intégrer le silence, le délai et la simplicité dans leur propre vie et dans la société entière ». Bref, un colloque sur la richesse qu’est devenue le silence, cette « qualité rare ».

De nobele folteraar?

Een tijd geleden schreef ik voor uitgeverij EPO een leesverslag van Du bon usage de la torture. Ou comment les démocraties justifient l’injustifiable van de Franse filosoof Michel Terestchenko. Is folteren toch niet een klein beetje acceptabel, als daarmee de levens van ‘onschuldigen’ kunnen worden gered ?

Hieronder het –heel licht geredigeerde- leesverslag.

 

Achtergrond is de voortdurend terugkerende kwestie in ‘de oorlog tegen de terreur’ van de noodzaak van marteling om gegevens te krijgen waardoor de veiligheid van de eigen burgers beter beschermd zou kunnen worden. Het thema blijft actueel, ook voor wat betreft de overdracht van gevangenen aan staten die geen verantwoording hoeven af te leggen over martelen, en voor de vraag wanneer een behandeling als marteling moet worden beschouwd.

Terestchenko onderzoekt de kwestie overwegend vanuit een politiek ethische hoek, en maakt daarbij ruim gebruik van empirisch materiaal, zoals krantenberichten, redevoeringen, wetgeving, televisieseries, enz.

Vanwege de nadruk in de berichtgeving de afgelopen jaren op de rol van de VS op dit terrein (Abu Greib, Guantanomo, waterboarding, geheime foltergevangenissen in Oost-Europa en Noord-Afrika, …) is het feitenmateriaal bijna uitsluitend Amerikaans getint.

 

De redenering volgt een strakke en logische opbouw.

In de inleiding wordt de vraag of foltering acceptabel is in een democratische samenleving ontleed in vier deelvragen:

- Bestaan er extreme noodsituaties waarin het gebruik van marteling de enig mogelijke oplossing zou zijn om inlichtingen te verkrijgen die mensenlevens kunnen redden?

- Indien zich zo’n geval zou voordoen, zou foltering dan moreel aanvaardbaar zijn?

- En als dit het geval zou zijn, zou het dan ook doeltreffend zijn als methode?

- Tenslotte, wie zou de beslissing moeten nemen om over te gaan tot marteling, en wat zijn de gevolgen van zo’n beslissing waarbij de belangrijkste rechtsnormen en de principes van de ‘liberale’ democratische samenlevingen worden aangetast?

Men moet immers vaststellen dat er, ondanks de talrijke verboden op foltering, blijkbaar toch een smalle marge van onduidelijkheid is, waarin het absolute folterverbod relatief blijkt te worden. Meestal wordt dit gelegitimeerd door het ‘argument van het minste kwaad’: één individu of mensenrecht opofferen om een samenleving te redden.

T. maakt al in de inleiding zijn doelstelling bekend: bewijzen hoe het toestaan van foltering leidt tot een soort politieke zelfmoord van de staat die ze toepast, en dat de pragmatici die –hoe uitzonderlijk ook- het gebruik van foltering verdedigen juist de samenleving ondergraven die zij proberen te beschermen.

Vanaf dan volgt in tien hoofdstukken een streng logische opbouw naar de conclusie die T. al in zijn inleiding aankondigt. Daarbij is het niet zo dat de opbouw strikt lineair is, waarbij elk hoofdstuk noodzakelijk voortkomt uit het vorige, en onvermijdelijk leidt tot het volgende. Uit sommige hoofdstukken komen verschillende denkpistes voort, die elk in een eigen hoofdstuk worden toegelicht. In de opbouw vind je dus vertakkingen en zijsprongen, waarbij specifieke argumenten worden besproken of weerlegd, maar die uiteindelijk alle leiden tot de conclusie dat marteling ethisch, politiek, en uit een oogpunt van doelmatigheid en doeltreffendheid ontoelaatbaar is. Dat maakt dat in de tekst nogal eens inhoudelijke herhalingen voorkomen. Zo kan bv. in hoofdstuk X redenering A gemotiveerd verworpen worden. In hoofdstuk X+1 wordt dan redenering B uitgerafeld tot een variant van redenering A, zodat ook B tot dezelfde verwerping leidt. T. schrijft dan in beide hoofdstukken zijn motivering van de verwerping voluit uit.

Elk van de tien hoofdstukken is nog eens ingedeeld in onderdelen met een eigen titel, die ook in de inhoudsopgave zijn opgenomen.

  1. De lange geschiedenis van foltering door de overheid in de VS: redelijk bekende gegevens over de Amerikaanse traditie van psychologische foltering en over activiteiten van de CIA in dit verband.
  2. Hoe juristen in de VS ingezet werden om foltering door de overheid juridisch te legitimeren, of de term foltering voor te behouden voor activiteiten die leiden tot ‘fysiek lijden dat te vergelijken is het falen van een orgaan, de verwijdering van een vitale functie, of de dood’, kortom een zeer restrictieve interpretatie van het begrip (41). Verder de uitvinding van de term ‘illegale strijder’, zodat het internationale oorlogsrecht kan worden omzeild, en de straffeloosheid van folteraars onder Bush. Ook het veelvuldige gebruik van de term terrorismebestrijding dient dit doel: omdat ‘terroristen’ op geen enkele manier een plaats hebben binnen het oorlogsrecht, is dit recht ook niet van toepassing op de behandeling van wie terrorist wordt genoemd.

De enige belangrijke uitschuiver van het boek zit in dit hoofdstuk: een lofzang op het Israëlische Hooggerechtshof als de verdediger van het verbod op folteren in Israël (47). De Palestijnen zullen het graag horen.

  1. De Amerikaanse ‘archipel’ van de foltering: het in het geheim uitleveren van gevangenen aan folterende staten, het voorbeeld van Abou Ghraib als een uitwas waarbij alle essentiële militaire regels met voeten werden getreden, de rol van de CIA en dekmantels in wereldwijde training van agenten voor foltering en verdwijning van tegenstanders.
  2. De parabel van de tijdbom (la parabole de la bombe à retardement) : het klassieke filmscenario : de boef/terrorist heeft een bom met een tijdmechanisme geplaatst in een school/onder een brug/in een vliegtuig, enz. en alleen foltering zal hem kunnen doen bekennen waar/wanneer het ding afgaat, zodat met die kennis nog tijdig duizenden onschuldige kinderlevens zullen kunnen worden gered. Juist in zulke situatie zou een absoluut folterverbod fundamentalistisch en moreel onacceptabel zijn.
    Probleem met deze parabel is niet alleen dat iedereen zich het probleem levendig kan voorstellen, maar ook dat een ethische legitimatie voor foltering in dit geval zeer wel mogelijk is. Alles hangt af van het uitgangspunt dat men inneemt: geïnspireerd door de categorische imperatief van Kant, of geïnspireerd door een ‘realistische’ visie, die streeft naar het grootst mogelijk geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen (utilitarisme).
    Illustratie van het dilemma door uitgebreide analyse van tv-serie 24 (heette die zo? Een serie over een held die zogezegd in real time allerlei aanslagen voorkwam).
  3. De nobele folteraar. De held die ‘vuile handen’ maakt, want iemand moet de klus klaren ten bate van de gehele gemeenschap, maar hij zal achterblijven (kiest daar ook voor) met eeuwige morele problemen. Hij neemt maw. de morele schuld van de hele samenleving op zich.
    Zowel een eminent filosoof als Michael Walzer als een eminent jurist als Alan Dershowitz kunnen zich varianten voorstellen waarin fundamentele rechtsregels en grondrechten met voeten getreden worden in functie van een hoger belang. Beiden kiezen echter voor een andere verantwoordelijkheid: bij W. moet het folterende individu als persoon zijn eigen verantwoordelijkheid opnemen, en desnoods vervolging doorstaan; bij D. moet de staat de verantwoordelijkheid op zich nemen door het afgeven van een gerechtelijk mandaat tot folteren.
    Situering van de discussie binnen het kader van Il Principe van Macchiavelli + fundamentele kritiek van T. op beide opties.
  4. Le mal n’est pas un bien. Hoe om te gaan met dit conflict : enerzijds erkennen dat de foltering en alles wat daarbij hoort een absoluut kwaad zijn, en anderzijds aanvaarden dat dit kwaad soms in uitzonderlijke omstandigheden onvermijdbaar is. Dit is een ander soort moreel conflict dan in het geval van de ideologische rechtvaardiging van foltering in een noodtoestand (waarbij ethische dilemma’s worden opzijgezet) of in het geval van de morele zuiverheid (waarbij de mogelijkheid van een noodsituatie wordt ontkend).
    In de moderne traditie zijn er twee dominante benaderingen: de ‘macchiavelliaanse’ die zegt dat men moet handelen naargelang de omstandigheden, en de utilitaristische die alleen rekening houdt met de uitkomst van het handelen.
    T. vindt dat men ten allen prijze de idee moet behouden dat morele transgressie (het tijdelijk accepteren van het kwaad) een transgressie is, dus niet te legitimeren. Daarmee worden zowel de Macchiavelli-geïnspireerde benadering als de utilitaristische verworpen.
  5. Samenvatting van het voorgaande en van wat nog gaat komen: “We moeten het nu zo helder mogelijk vaststellen: gezien in het geheel van de voorwaarden die zij veronderstelt, is de ideologie van de gecontroleerde marteling gebaseerd op een fabel, op een constructie van de verbeelding die niet door feiten onderbouwd wordt, op een scenario – de tijdbom – waarvan de overtuigingskracht ineenzakt zodra men de concrete situaties objectief onderzoekt.” (126)

Over het pseudo-realisme van de fabel van de tijdbom : de omstandigheden die vereist zijn voor het werkelijk relevant zijn van de denkpiste van de tijdbom komen in de praktijk niet alle tegelijk voor. Het argument van de tijdbom is uiteindelijk een denkspel dat, in welke variant ook, slechts leidt tot ‘criminalisering’ van de staat. Immers, om van staatswege te mogen folteren, zullen professionals (incl. medisch personeel) voor dat doel opgeleid moeten worden. “Zou een samenleving die dit soort opleidingscentra zou bouwen, en die dergelijke mensen zou opleiden in haar scholen en academies, te verenigen zijn met het idee van een decente democratische samenleving?”

  1. De nutteloosheid van foltering? Als marteling efficiënt is, kan geen waarde worden gehecht aan de uitkomst ervan, aangezien de gemartelde alles zal zeggen om de foltering te doen eindigen (en zelfs als hij de waarheid spreekt, zal de folteraar daaraan twijfelen, omdat hij niet weet of er niet alleen maar wat gezegd wordt om de marteling te laten eindigen).
    Foltering heeft dus vooral een symbolische betekenis, zeker als zij op massale schaal wordt toegepast (en meestal is dat het geval: Algerije, Vietnam, Irak, Afghanistan).
  2. Vasthouden aan principes waarover niet te onderhandelen valt.

T. verwerpt het idee van ‘de regel en de uitzondering’: “van foltering een acceptabele praktijk maken, zelfs maar in uitzonderlijke gevallen, impliceert dat men vooraf het abolute verbod op foltering heeft opgegeven” (168). Met het opgeven van het absolute verbod, is men terechtgekomen op een glijdende schaal, want wie gaat nog bepalen tot hoever een overschrijding van het taboe acceptabel is wanneer niet meer?

  1. De staat wordt zelf illegitiem.

Vijf criteria om te bepalen wanneer sprake is van foltering door de staat (191). Het accepteren van foltering door de staat ondermijnt het wezen zelf van de staat. Elke staat is immers gegrondvest op de idee van het waarborgen van de lichamelijke integriteit, zowel in de relaties tussen burgers onderling (geweldsmonopolie) als in de relatie tussen de burger en de overheid (strafprocesrecht).

 

De auteur is hoogleraar wijsbegeerte aan de universiteit van Reims, en heeft verschillende boeken gepubliceerd over politieke filosofie en ethiek. Hij heeft een inhoudelijk sterke en goed onderhouden blog.

De bronnen zijn relatief beperkt voor dit soort werk, maar ook weer niet tè. Zowel Amerikaans feitenmateriaal als beschouwingen, idem voor Europees materiaal. T. leest/verstaat blijkbaar Engels, maar verwijst voor sommige bronnen toch naar de Franse vertaling à ratjetoe in bibliografische vermeldingen

Geschikt voor Vlaanderen en Nederland? Moeilijk te zeggen hoever men hier nog openstaat voor een auteur die zich ook op Franse bronnen baseert.

Stijl en taalgebruik: vlot geschreven. T. slaagt er in mijn ogen uitstekend in om een serieuze ethische discussie op een goed leesbaar niveau te brengen. Naar mijn smaak worden redeneringen en conclusies soms iets te vaak herhaald, maar ik denk dat dit voor een groot publiek geen bezwaar hoeft te zijn.

Is uitgave commercieel haalbaar?

- actualiteit van het werk: gaat het over een actueel onderwerp? Ik zou het geloven; zie alleen al de afgelopen week ‘Bebloede en gillende medegevangenen zijn doodnormaal’ (DeWereldMorgen over Palestijnen in Israëlische cellen), Bush in zijn memoires over waterboarding, e.a.

- doelpubliek: niveau ethiek voor hbo-studenten; leken die openstaan voor toegankelijke discussie over een actueel onderwerp van politieke ethiek

- promotiekansen: T. is volgens mij niet vies van de publiciteit (blog, regelmatig lezingen en debatten in het land). Hij leest Engels, spreekt het dus misschien ook. Gevestigd in Reims, vlakbij België. Het thema zal voorlopig niets aan actualiteit verliezen, dus er zal regelmatig wel een aanleiding zijn voor diverse organisaties om het boek onder de aandacht te brengen.

 

Eindordeel: uitgeven of niet?

Plus

- Gebaseerd op alom bekend Amerikaans materiaal (Abu Ghraib, maar ook Guantanamo en 24), maar ook op de Franse oorlog in Algerije (brengt het hele verhaal toch ook weer dichterbij), kortom op materiaal dat in het westerse collectieve geheugen zit

- Zeer toegankelijke weergave van klassieke discussie uit de politieke ethiek

- Onderwerp blijft actueel:

- De ethische gedachtengang wordt voortdurend concreet gemaakt aan de hand van voorbeelden die aanhaken bij het populaire geheugen (op televisie): Irak, tijdbomfilms, Algerije, 24, …

- Samenbrengen van hedendaagse Amerikaanse en klassieke Europese denkers

Min

Frans auteur met moeilijke naam

Iets te veel herhalingen naar mijn smaak

Klassieke knoeiboel in bibliografische verwijzingen: soms verwijzing naar originele Amerikaanse bron, dan weer naar Franse vertaling; jaartal van publicatie is soms jaar tal van vertaling (bv. p. 123: Kant, Paris, 1986)

Doen!

De uitgeverij besloot het niet te doen, maar ik vond het toch de moeite om er nog eens naar te verwijzen in dit blog.

Michel Terestchenko, Du bon usage de la torture. Ou comment les démocraties justifient l’injustifiable, Editions La Découverte 2008, 207 p. + bibliografie, inhoud

 

Syndicate content