socialisme - communisme

Wat valt mij de laatste tijd op, met een dikke duim bladerend door  de Belgische mainstream media of met minder dan een half oog kijkend naar wat er op de baggerbuis voortklotst? Dat programma’s of inhoudelijke punten van de sociaaldemocratische partijen (consequent ‘links’ of ‘rood’ genoemd) amper nog aan bod komen; dat er meer fascinatie/angst/afkeer is voor de Partij van de Arbeid/Parti du Travail de Belgique (PVDA/PTB). Die wordt dan ook consequent gestigmatiseerd als ‘communistisch’ – alhoewel de partijleiding zichzelf ‘marxisten’ of ‘socialisten 2.0’ noemt. Als andere politici vervolgens  een paar recente ideetjes van de neoliberale sociaaldemocraat Elio Di Rupo plots ‘communistisch’ gaan noemen, lijkt het wel alsof de – op zich natuurlijk al verwerpelijke – Parti  Socialiste een opstapje vormt naar de dictatuur van het proletariaat en Noord-Koreaanse toestanden.

In werkelijkheid is er binnen ‘links’ altijd een scherp conceptueel onderscheid gemaakt tussen socialisme en communisme. De eerste teksten daarover, van Marx over de vroege Internationales tot Lenin, beschouwden socialisme en communisme als twee onderscheiden fasen in het revolutionaire proces. Waar socialisme stond voor de socialisering en het politieke beheer van de productiemiddelen, was het oorspronkelijke communisme gericht op het verdwijnen van de staat en de overdracht van de (politieke en economische) macht aan de werkende bevolking (in de vorm van sovjets of arbeidersraden). Louis Blancs stelling  ‘Van ieder naar vermogen, aan ieder naar behoefte’ was daarbij een idealistische leidraad.

Die opvatting over zelfbeheer door de arbeiders en communisme als de democratische uitdrukking van de strijd van de werkende bevolking voor zeggenschap over het eigen leven (Rosa Luxemburg) komt al gauw in aanvaring met de centralistische opvattingen van Lenin over de partij als revolutionaire voorhoede en de dictatuur van het proletariaat als middel. De eerste opvatting werd – letterlijk (hier kan dat, Lotte Alsteens) – de kop ingedrukt, de tweede leidde uiteindelijk tot fenomenen als het ‘reëel bestaande socialisme’ van de Sovjet-Unie en vazallen of tot het hedendaagse China, die uiteindelijk niet anders zijn dan vormen van staatskapitalisme.

Enigszins naast deze confrontatie, maar wel langer overeind, blijft de tegenstelling tussen het reformisme dat geleidelijk aan, binnen de bestaande staatsstructuur en haar politieke representatie, de levensomstandigheden voor de werkende bevolking wil verbeteren, en daar tegenover de idee dat klassenstrijd de arbeiders (alle producenten van economische of sociale meerwaarde) de macht moet geven over die productie en de verdeling van de door hen gecreëerde maatschappelijke welvaart. Als de eerste benadering, die van het reformisme, aanvankelijk nog streefde naar een socialisme als socio-economisch alternatief voor het kapitalisme, dan is het in zijn sociaaldemocratische verschijning nog slechts een van de methoden om dat kapitalisme te organiseren en te managen. En binnen de wereldwijde dominante ideologie van het neoliberalisme is dat officiële socialisme vandaag zelfs niet meer nodig als ‘menselijk gelaat’ van het klassensysteem, de uitbuiting van de werkende bevolking en de plundering van maatschappelijk goed door de rijksten. Zo gek is het dus ook niet dat, als er al originele ideeën zouden leven binnen de sociaaldemocratische partijen, die niet meer aan bod komen in de media van het grootkapitaal.

In die zin is het vandaag klinkklare onzin te stellen dat het socialisme in West-Europa een fase of een instrument zou zijn op de weg naar communisme. Als communisme weer zou staan voor de afschaffing van uitbuiting en klassenstructuren, en voor de erkenning van de organisatiekracht van maatschappelijke instellingen, dan is er geen gradueel onderscheid tussen socialisme en communisme. Dat wil zeggen, er is geen twijfel over een overgang tussen beide mogelijk; de twee concepten staan fundamenteel tegenover elkaar.

flikkerlig: een nieuw elitarisme

"IEDEREEN KAN DEEL UITMAKEN VAN DE ELITE – Moeilijke kunst bestaat niet. Er bestaat alleen een publiek dat de taal van de kunst niet spreekt, en niet de moeite wil nemen ze te leren. KUNST VRAAGT INSPANNING. De verantwoordelijkheid tot begrijpen ligt bij het publiek, niet bij de kunstenaar. Als we evenveel tijd zouden investeren in het ontwikkelen van onze hersenen als in het stroomlijnen van ons lichaam, zou de cultuur bloeien als nooit tevoren."

Gaea Schoeters, 'Manifest voor een nieuw egalitarisme', REKTO:VERSO, nr. 76

 

foucault in warshaw

Belgian newspaper Le Soir spends ample space to an article by Maya Szymanowska about a new Polish publication by sociologist Remigiusz Ryzinski, ‘Foucault W Warszawie’ (Foucault in Warsaw – no translations yet).

In 1955 Michel Foucault arrives in Uppsala, Sweden, where he will work on his doctoral dissertation. But then in October 1958, he moves to Warsaw, Poland, where he is going to direct the Centre de civilisation française at the local university. There he continues writing the manuscript he will  eventually defend in 1961 in Paris as his so-called ‘principal thesis’. It is published originally as ‘Folie et déraison. Histoire de la folie à l’âge classique’.

It was already known that Foucault had to leave Poland in a hurry in the middle of 1959, due to pressures by the secret service of the then communist state. French Wikipedia blames this on  his “travaux et fréquentations”, his works and social contacts, ‘fréquentation’ ironically also meaning intercourse. The secret service would have pushed a young man, only known as ‘Jurek’, into Foucault’s arms in order to discredit him. One day, the police raids the hotel where Foucault and Jurek are spending some time together; the French ambassador is subsequently urged to send Foucault back to France.

But why? Was there really a ‘Jurek’? And discredit, how? Homosexual contacts were not a offence in Poland at that time; homosexuality was simply ignored. Ryzinski has tried to find witnesses of that episode and to reconstruct the case.  In the – now public – archives of the secret service he found Foucault’s files. That’s how he discovered the names of people Foucault frequented in Warsaw. It enabled him to reconstruct a fragment of the local homosexual scene in the 1950’s, a scene that also included diplomats, foreign scholars and secret services.

Daniel Defert – Foucault’s partner during the last decades – confirms that Jurek and Foucault had a close relationship. A short time after the Polish episode, Jurek came to visit him in Paris and admitted he had been recruited by the secret service. But still, why the provocation to get the philosopher out of the country? Szymanowska (or Ryzinski?) gives no answer. “In his doctoral thesis, (…), L’histoire de la folie, (…), the French philosopher speaks of the category of the Other who is assimilated to an enemy, just like the homosexual … or the opponent. Would the communist regime have had so much fear for the subversive scope of this philosophy?” A bit meagre for an explanation.

The other elements Szymanowksa reports from Foucault in Warsaw are Ryzinski’s presumption that the city inspired Foucault into conceptualizing the panopticon and writing Surveiller et punir, and the tenderness of the description of a gay scene avant la lettre, “a hidden world, a world that renounced social codes, a world before AIDS”.

Whatever the relevance of the book or the review, here’s a nice picture of Michel Foucault in 1958, hairy and all.

P.S. 1

And more unshaven Foucault:

The clip is called Umberto Eco interviews Michel Foucault, but Eco is nowhere to be seen. The interviewer in the short video is Enzo Melandri, and the meeting is taking place somewhere in Milano, Italy in 1968. Pour la petite histoire, Eco and Melandri had bet a beer on how Foucault would pronounce episteme: as in French (according to Melandri) or as in Greek (Eco). Melandri won.

 

P.S. 2

See also http://durieux.eu/blog/la-cia-et-les-intellectuels-fran%C3%A7ais

 

 

carceri d'invenzione, een actuele metafoor

Verschenen in Streven van mei 2017: ‘Carceri d’invenzione, een actuele metafoor’.

Hier opgenomen met dank aan de uitgever.

Het idee voor dit stuk ontstond toen ik om een bijdrage gevraagd werd voor een bundel naar aanleiding van het No Prison manifest. Hier een korte toelichting.

progressief - conservatief

Dit is eigenlijk vooral een aantekening voor mijzelf. Ik probeer een definitie en een positiebepaling vast te leggen, die ik kan gebruiken wanneer ik schrijf.

Ik heb altijd zoveel mogelijk geprobeerd termen als ‘progressief’ en ‘conservatief’, of ‘links’ en ‘rechts’ ter vermijden. Ben ik conservatief, als ik verworvenheden uit de jaren 1970, die toen als progressief golden, probeer te vrijwaren tegen nieuwe ontwikkelingen die ik als verwerpelijk beschouw? Als ik bijvoorbeeld grote moeite heb met de toenemende acceptatie van maatschappelijke argumenten voor of tegen van alles en nog wat van mensen die zich op ‘hun geloof’ beroepen, terwijl het juist een grote verworvenheid was van de jaren zeventig dat de maatschappelijke invloed van de geestelijkheid werd teruggedrongen?

Is het progressief, wat het toenmalige ‘hoofd kwaliteitszorg’ van een Rotterdamse hogeschool ooit letterlijk tegen mij zei: “Boeken zijn achterlijk. Tegenwoordig vind je alles op internet.” (Nee, dat is geen goed voorbeeld; dit is gewoon dom.) Ben ik progressief als ik mij verzet tegen de aanleg van een windenergiecentrale waarvoor zeven hectare bos moet gekapt worden, of is het juist progressief om overal windturbines neer te poten in de strijd voor ‘de redding van het klimaat’? En wat is de relatie met ‘links’ en ‘rechts’? Doet het er eigenlijk wat toe, of je iets of iemand progressief of conservatief kan noemen?

Op het eerste gezicht wel. In de media lijken de begrippen onontkoombaar, of het nu over ontwikkelingen of individuen gaat, in politiek, cultuur, economie, lifestyle, … Bovendien zijn het geen louter descriptieve termen; progressief en conservatief, links en rechts dragen een morele connotatie mee, het ene is beter of juister dan het andere. En omdat de begrippen zo intuïtief lijken en voor de hand liggend, wordt ook voortdurend verwacht dat je jezelf positioneert in een van die ‘kampen’.

Het onderscheid tussen links en rechts lijkt op het eerste gezicht eenvoudig als je voortgaat op de geschiedenis van de begrippen. Het verhaal is bekend: de politieke begrippen links en rechts waren aanvankelijk gewoon een plaatsbepaling. Na de Franse Revolutie werd in parlementaire debatten de opdeling in standen (burgerij, clerus, adel) steeds minder relevant. Vertegenwoordigers van de burgerij, lagere clerus en een deel van de adel vonden elkaar in hun kritiek op de monarchie en in een streven naar meer gelijkheid en verandering; die zaten aan de linkerzijde van het parlement. De aristocratie en de hogere clerus wilden de macht van het volk beperken, en de status quo van sociale en politieke ongelijkheid behouden; die zaten rechts. Op die manier werden behoudsgezind (conservatief) en rechts gelijkgesteld, net als veranderingsgericht (progressief) en links.

Maar wat nu als een politieke partij die pleit voor meer sociale gelijkheid behoorlijk behoudende standpunten inneemt op het gebied van globalisering en migratie? Of als een economisch rechtse partij (individuele verdienste in plaats van solidariteit) in naam van het individuele zelfbeschikkingsrecht verregaande mogelijkheden voor euthanasie bepleit? Is dat progressief? Er is blijkbaar ruimte voor conservatief links en progressief rechts. Misschien moeten conservatief en rechts, links en progressief dus maar ontkoppeld worden.

Je zou links en rechts kunnen gebruiken voor de tegenstellingen in de opvattingen over de verdeling van maatschappelijke (materiële en immateriële) rijkdom. Links staat dan voor een eerlijke verdeling, die streeft naar gelijkheid onder de burgers, en dus volop ruimte biedt voor solidariteit. Rechts wil ook een eerlijke verdeling, maar een die gebaseerd is op individuele verdienste, op de vrucht van zelfredzaamheid. Dat linkse streven naar gelijkheid en solidariteit fnuikt het privé-initiatief en de zelfrealisatie, zeggen de enen. Individuele verdienste en gelijke kansen vertrekken altijd vanuit een bepaalde maatschappelijke positie en behouden of versterken dus de ongelijke machtsverhoudingen, zeggen de anderen.

Hier kan je als individu een keuze maken. Wil je dat iedereen een kans heeft zich ten volle te realiseren, en ben je bereid daarvoor solidair te zijn, en diegenen die vanuit een moeilijke positie vertrekken een extra steuntje te geven? Dan ben je links. Ga je ervan uit dat iedereen gelijke kansen heeft om zich te realiseren, en dat dus individuele verdienste het enige criterium is of je al dan niet maatschappelijk slaagt, dan ben je rechts. Tiens, zo vallen rechts en behoud van de status quo toch weer samen. En ook links en streven naar maatschappelijke verandering.

Als links en rechts staan voor verschillende opvattingen over de eerlijke verdeling van maatschappelijke rijkdom, staan conservatief en progressief misschien eerder voor culturele waarden, voor opvattingen over wat belangrijk is als kader om het bestaan en de wereld zin en betekenis te geven.  In De groene Amsterdammer van 23 februari 2017 schrijft Jop de Vrieze: “Een progressief is gericht op vooruitgang, hecht veel aan de individuele waarden zoals het voorkomen van schade en het bieden van gelijke kansen. Voor een progressief zijn deze waarden universeel – de universele mensenrechten zijn bij uitstek progressief. Een conservatief is gericht op het behoud van datgene wat er is en hecht net zozeer aan de groepswaarden. Voor hen is loyaliteit naar de eigen groep belangrijker dan rechtvaardigheid voor het individu.”

In deze omschrijving zie je de moeilijkheden over elkaar heen buitelen. Een progressief is gericht op vooruitgang? Dan moet je vooruitgang omschrijven. Rechtse politici en ondernemers vinden het ‘vooruitgang’ als zij de sociale bescherming van arbeiders kunnen afschaffen, als flexibiliteit een nieuw woord wordt voor uitbuiting, als zij belastingen en sociale zekerheid ‘hervormen’ zodat rijkdom blijft waar zij zit en niet herverdeeld wordt. Die vooruitgang is niet progressief, maar gericht op het behoud en de uitbreiding van de eigen machtspositie. Vooruitgang is progressief als die gericht is op de verbetering van de wereld, op een betere wereld voor iedereen en niet alleen voor de rijken. Eh ja, werkelijk progressieven zijn wereldverbeteraars. Niks mis mee.

Een progressief hecht veel aan de individuele waarden en het bieden van gelijke kansen. Die individuele waarden zijn ook een stokpaardje van politiek rechts (zelfredzaamheid, individuele verdienste, zelfbeschikking). En over het bieden van gelijke kansen had ik het al eerder. In het nieuwe tijdschrift Lava gaat Karim Zahidi hier uitgebreid op in (tussenkop “Gelijke kansen: schaamlapje voor ongelijkheid”). Het is overigens ook een klassieker in de theorieën over mensenrechten: gelijke behandeling in ongelijke gevallen leidt tot ongelijke resultaten. En over de universaliteit van mensenrechten: ik denk dat die opvatting theoretisch onhoudbaar is (daarover een andere keer), en ook dat het respect voor die waarden en rechten niet typisch progressief of conservatief is. Wie zich verzet tegen de waarden die zijn vastgelegd in het systeem van mensenrechten is niet conservatief, maar reactionair. Die wil de verworvenheden van de moderniteit afschaffen.

Het onderscheid tussen progressief (nadruk op individuele waarden) en conservatief (groepswaarden) is, denk ik, veel te simpel. De zeer gesofisticeerde en overwegend Noord-Amerikaanse discussies in de jaren 1980 en 1990 over liberalism en communitarianism (gemeenschapsdenken) geven aan dat het verschil tussen progressief en conservatief, zowel cultureel als politiek, een zaak is van eindeloze nuance. Misschien is het onderscheid ook helemaal niet zo belangrijk; kan je progressief zijn op bepaalde terreinen (kunst, gender, mobiliteit) en conservatief op andere (privacy, sociale media, onderwijs). Belangrijker lijkt mij de individuele keuze voor solidariteit of eigenbelang, voor links of rechts dus.

deelstaten?

In een recent interview zegt N-VA politicus Jan Peumans over de zoveelste Belgische staatshervorming: “Maar wat niet is, kan nog komen. In 2019 zullen de twee deelstaten bij elkaar moeten gaan zitten en dan zullen we zien.”

Ik ben benieuwd wat we zullen zien als ‘de twee deelstaten’ bij elkaar zitten. België heeft immers helemaal geen deelstaten. Titel I van de Grondwet stelt dat België een federale staat is, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten. Er zijn drie gemeenschappen : de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap, en drie gewesten : het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Gewest. Dat ligt allemaal op en onder en naast elkaar op een grondgebiedje van pakweg 30.000 km2 dat ook nog eens verdeeld is in vier taalgebieden : het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied. Elke gemeente van het Rijk maakt deel uit van een van deze taalgebieden.

Nergens is er sprake van deelstaten. België telt zes ‘gefedereerde entiteiten’, maar die hebben bijlange niet de kenmerken van een (deel)staat. De Franse Gemeenschap bijvoorbeeld bevindt zich zowel in het Waalse als het Brusselse Gewest. De Duitstalige Gemeenschap woont integraal in het Waalse gewest. De Vlaamse Gemeenschap kan dan weer wat bevoegdheden uitoefenen op het grondgebied van het Brusselse Gewest. Kortom, de verdeling van mensen in gemeenschappen en van grond in gewesten valt nergens samen. Er zijn Nederlandstaligen in het Vlaamse gewest en in Brussel; er zijn Franstaligen in Brussel en in Wallonië; en er zijn Duitstaligen in Wallonië. En die hebben allemaal op die verschillende grondgebieden hun eigen specifieke rechten en bevoegdheden en bestuursorganen. Daardoor komt het dat er een Brussels parlement is met een Brusselse regering; een parlement van de Franse Gemeenschap – die zich Fédération Wallonie-Bruxelles – noemt met een eigen regering; een Waals parlement en een Waalse regering en een parlement van de Duitstalige Gemeenschap met ook een eigen regering (met respectievelijk 25 en vier leden). Het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap hebben samen één parlement en één regering, die ook in Brussel hun invloed kunnen laten gelden.

Waarom dan dat steeds terugkerende gedoe over (twee) deelstaten?

Dat is puur ideologisch gelul. Vlaams-nationalisten willen maar al te graag doen geloven dat er in België “twee democratieën” zijn, zoals ook Jan Peumans beweert: de Vlaamse en de Waalse (of de Franstalige? Dat is nooit helemaal duidelijk; in ieder geval een die gedomineerd en gecorrumpeerd is door de Parti Socialiste.) En zo wil men ons ook wijsmaken dat als ‘Vlaanderen’ eindelijk zelfstandig zou zijn, het dan zijn rijkdom voor zich zou kunnen houden en niet meer hoeven delen met die armlastige parasieten uit het zuiden.

Er zitten wat haken en ogen aan die redenering. Wat gebeurt er met dat deel van de Vlaamse gemeenschap dat in Brussel woont? Laat men dat vallen, of gaat een zelfstandig Vlaanderen nog steeds bevoegdheden uitoefenen in een ander gewest? En wat met dat afstoten van de hand-ophouders uit het zuiden? Geldt dat ook ten aanzien van de Duitstaligen, die wel Walen zijn, maar geen Franstaligen?

Er zijn dus geen twee deelstaten in België, en die kunnen er ook niet zijn. Mensen en media die deze terminologie gebruiken doen dit vanuit een ideologische agenda, of uit intellectuele luiheid.

 

de waarde van een boom

Dit is een bewerking van de tekst die Maria Vervoort publiceerde op BeL QV (Bien-être à Lierneux * Qualité de Vie).

Energiebedrijf EDF Luminus wil in de Ardense gemeente Lierneux bijna zeven hectare bos vernietigen voor de bouw van een windenergiecentrale met zes turbines van 180 meter hoog. Wij – de mensen achter BeL QV – zijn niet tegen duurzame-energieprojecten, maar windturbinezones moeten geen plaats krijgen op de plek van een woud, en tegelijk vlakbij een woongebied.

De bouw van een windenergiecentrale op die plek in Lierneux (het bos Lambiester) is volledig in strijd met de doelstelling van de productie van duurzame energie, nl. de bescherming van onze leefomgeving. Het lijkt op zijn minst tegenstrijdig dat men zeven hectare gezond bos zou rooien op ecologische gronden. Recent schreven kranten nog over de Ardense wouden als ‘de groene long van België’; iedereen weet dat goed beschermde natuur, nu zij steeds zeldzamer wordt, van wezenlijk belang is voor steeds meer mensen.

Sommigen zeggen: “Ja, maar het zijn overwegend naaldbomen, dat is bos zonder waarde”. Een groteske uitspraak, en volledig in tegenspraak met het wereldwijd groeiende besef van het belang van zelfs maar één boom – laat staan een heel woud.

Kijken wij even terug in de geschiedenis. Vroeger was denken in termen van hiërarchie heel gewoon, zelfs als het om de waarde van mensen ging. Bovenaan stond de man, en ondergeschikt aan hem de vrouw en de kinderen. Nog lager stonden de dieren. Zelfs als die een economische waarde hadden, kon je ze nog straffeloos mishandelen en elimineren. Vandaag weten wij dat zelfs een klein insect als de honigbij noodzakelijk is om ook voor mensen het voedselaanbod in stand te houden. Albert Einstein zei: “Wanneer de bij verdwijnt van het aardoppervlak, rest de mens nog slechts vier jaar te leven”.

Nu verbazen wij ons over zulke neerbuigendheid tegenover vrouwen en dieren, en wij zouden ons er diep voor schamen. Maar bewustzijn heeft tijd nodig om te groeien. Volgende generaties zullen met een gelijkaardig gevoel van ongeloof en verbijstering kijken naar hoe wij vandaag met bomen en bossen omgaan. Al enige tijd is het boek Het verborgen leven van bomen van de Duitse boswachter Peter Wohlleben een wereldwijde bestseller met een oplage van meer dan 500.000 exemplaren. Wohlleben beschrijft het wood wide web, geen romantisch verzinsel, maar een wetenschappelijke term voor hoe schimmels die hele wouden verbinden werken als de glasvezelkabels voor het internet. Eén theelepeltje bosgrond bevat een paar kilometer zwamdraden. Door die leidingen geeft de ene boom signalen door aan de andere, en helpen ze elkaar door boodschappen over insecten, dreigende droogte of andere gevaren uit te wisselen.

Vergeten wij even de wetenschappelijke benadering en kijken wij naar het gevoelsmatige. Dan constateren wij dat zowel in Wallonië als in Vlaanderen wouden in gevaar zijn, terwijl er tegelijk een groeiende nood bestaat aan bosbeleving. Nooit eerder kwamen er voor het paarse tapijt van boshyacinten zoveel wandelaars naar het Hallerbos als dit voorjaar. Zo’n zeventienduizend mensen maakten gebruik van de busdienst om dit natuurfenomeen te beleven. Zelfs vanuit de omliggende landen komen mensen naar de Ardense wouden voor wandelingen, het fotograferen van dieren,  trektochten, mountainbiken …

Verder is het ondenkbaar dat er vroeger iets zou bestaan hebben als de ‘boom van het jaar’. De wedstrijd Europese boom van het jaar is een project ter versterking van de relatie tussen mensen en bomen. Het wil de aandacht vestigen op het belang van de bescherming en het behoud van bomen, en het ondersteunt acties om bijzondere exemplaren te erkennen als natuurlijk of cultureel erfgoed.

Dit alles om te tonen dat er een nieuw wereldwijd bewustzijn heerst van de waarde van zelfs één boom. Maar hier in Lierneux zou EDF Luminus zonder scrupules zeven hectare woud vernietigen omdat het bos van Lambiester hen de beste plek lijkt om grote winst te maken met windenergie. En inderdaad is op de totale oppervlakte van de Ardennen zeven hectare woud misschien niet zo veel. Maar op dit ogenblik wordt de bouw van  windenergiecentrales in boszones nog sterk bemoeilijkt door allerlei voorwaarden. Als EDF Luminus haar plannen kan doorzetten, ontstaat er een precedent waardoor andere uitbaters van windturbines ongebreideld bossen zullen kunnen kappen wanneer zij denken dat zij op die plekken het meest profijt kunnen halen uit hun energiecentrales.

Toch bestaat er al een alternatief op het gebied van windenergie. Fairwind is een bedrijf in Seneffe, in Henegouwen. Het maakt kleine windturbines met een vermogen van 10 of 50 kilowatt. Die toestellen zijn op de maat van kmo’s en landbouwbedrijven die hun eigen energie willen opwekken en het overschot verdelen via bestaande netwerken. De jaarlijkse productie van het grote model kan 107 MWh bereiken, wat overeenkomt met de consumptie van een dertigtal gezinnen.

Typisch voor de turbines van Fairwind is hun verticale as: de wieken draaien horizontaal omheen de mast. Het grootste model is zo’n dertig meter hoog, d.w.z. de lengte van een hoge boom. Zij veroorzaken dus veel minder visuele schade dan de enorme industriële windmasten die her en der in het landschap worden neergepoot. Op dit ogenblik zijn zo’n twintig van die kleine windturbines actief in Wallonië, maar het is de bedoeling – o.m. door een samenwerking met Electrabel – dat er in 2020 een honderdtal werken. Daarnaast zijn er in heel België bedrijven die kleine windturbines voor privaat gebruik (tot 15 m hoog) produceren.

 

porno-guru

Universiteit Antwerpen heeft het archief van podiumkunstentijdscrift Etcetera gedigitaliseerd en online gezet. Uitstekend idee. Daarbij werden  de eerste 114 nummers van Etcetera uit de periode van januari 1983 tot december 2008 gescand, naar tekst omgezet met OCR-software en gecorrigeerd. Dat digitaliseringsproces werd uitgevoerd door drie stagestudenten. Zo ver alles goed.

Alleen, ik weet uit ervaring dat de meeste OCR-software (optical character recognition) enige moeite heeft met tekens die op elkaar lijken. Het onderscheid tussen hoofdletter I, kleine letter l en 1 is niet altijd waarneembaar. Hetzelfde voor hoofdletter O en cijfer 0. Bij sommige lettertypes zelfs tussen cijfer 9 en de letter g.

Toevallig stuitte ik in dat UA Archief Etcetera op een artikel van mij uit 1992, ‘De tragedie van het luisteren - Moderne opera tussen muziek en theater’. En zoals dat gaat, je leest al eens terug wat je vijfentwintig jaar geleden hebt geschreven. Ik was niet weinig verbaasd toen ik onder het kopje ‘De zoektocht van Nono’ een verwijzing vond naar porno-guru Massimo Cacciari. Nu weet ik zeker dat ik de filosoof en politicus Cacciari (zijn Icone della legge is een boek waar ik een tijdlang regelmatig naar teruggreep) nooit een porno-guru zou genoemd hebben. En inderdaad, de papieren versie van het tijdschrift (hier of hier) laat zien dat ik het had over een pomo-guru. ‘Pomo’ was in die tijd de ironisch tot denigrerende afkorting van ‘postmodern’. In mijn gebruik van de term in dat artikel zal de lading wel ergens tussen de twee benaderingen in gezeten hebben.

Dat roept bij mij enkele vragen op. Kan je van studenten verwachten dat zij, wanneer zij in een tekst de term ‘porno-guru’ tegenkomen, zich afvragen wat die term in die context komt doen? Wat stellen zij zich voor bij een porno-guru? En vervolgens, doet de combinatie met de naam Massimo Cacciari niet een belletje rinkelen?

Niet dus. Daaruit blijkt dus dat zowel pomo als Massimo Cacciari geen deel (meer) uitmaken van de culturele bagage van UA-studenten. Porno wel.

 

ag tog!

"Al sinds 1996 zaten Ailes en O’Reilly zij aan zij in de cockpit van de conservatieve zender die de vergeten onderbuik van Amerika bij de kraag wist te vatten."

De Standaard, 20 april 2017 (‘En toch laat Murdoch zijn goudhaantje vallen’)

oh my god!

In de negentiende eeuw konden velen nog denken dat er weldra een einde zou komen aan religie en georganiseerde godsdienst. In het in 1882 postuum gepubliceerde Dieu et l’Etat schrijft Michel Bakounine: « Dieu est, donc l'homme est esclave. L'homme est libre, donc il n'y a point de Dieu. Je défie qui que ce soit de sortir de ce cercle, et maintenant, choisissons. » Mikhail Bakunin was zeker niet de enige die er zo over dacht.

Uiteraard ging het hier om een principiële uitspraak, geen sociologische beschrijving. De mens was helemaal niet vrij; om werkelijk vrij te kunnen zijn zou hij/zij zich moeten bevrijden van Staat, Kapitaal en God. De Wetenschap zou de nieuwe leidraad worden bij de organisatie van een samenleving gebaseerd op vrijheid en solidariteit.

Maar kijk om je heen vandaag. Godsdienst en obscurantisme zijn helemaal terug – vermoedelijk van nooit weggeweest. Wij, die vanaf onze jeugd zo onze best gedaan hebben om ons te bevrijden van de dogma’s en de bekrompenheid van de kerk, worden nu omringd door mensen die zich voor van alles en nog wat beroepen op ‘hun geloof’, en die willen dat wij daar respect voor opbrengen. Religie moet je blijkbaar weer serieus nemen – en dat heeft niet alleen te maken met de moordende waanzin van boeven die zich beroepen op Allah of heilige koeien. Het lijkt wel of de macht van godsdiensten navenant toeneemt met de wereldwijde uitbreiding van technologie en rationele controle. En misschien helpt ook het dominante neoliberale culturele dogma wel een handje. In een wereld waarin iedereen voortdurend gepushed wordt om vooral zichzelf volop te ontplooien en ‘in de markt te zetten’, zullen er vast mensen zijn die een deel van die zware verantwoordelijkheid willen afschuiven naar iets, iemand, ergens, buiten zichzelf. Hoewel – de snelst groeiende wereldreligie is de evangelische beweging. En daarover schrijft Franca Treur in De groene Amsterdammer: “Evangelische bewegingen handelen als succesvolle multinationals. Leiders hebben bijna altijd een ondernemersachtergrond, denken in marktaandeeltermen en beschikken over de modernste lichtshows en presentatietechnieken. Ze zijn informeel gekleed en praten op losse, persoonlijke toon. Ze zijn lokale celebrities. Op de websites staan glossy foto’s van hun gezinnen. Preken zijn emotioneel en doorspekt met anekdotes uit het eigen gezinsleven, zoals we die kennen van politici. Maar deze gezinnen zijn traditioneel, en relaties zijn strikt heteroseksueel. Overspel en scheiding worden streng veroordeeld, evenals abortus en euthanasie. Naast de boodschap van het evangelie komt dus (onbedoeld) de boodschap van westerse moderniteit mee, plus een manier om zich daar weer tegen af te zetten.”

Dat een ernstig blad als De groene vindt dat ‘we ons de luxe van de onverschillige positie tegenover religie niet meer kunnen veroorloven’ is tekenend voor de druk die die culturele stromingen uitoefenen. En dan gaat het niet om de Turkse studenten die mij indertijd zegden als zij ergens geen zin in hadden: “Mijnheer, mijn geloof staat dat niet toe”. En zelfs evenmin om de eis altijd en overal een hoofddoek te mogen dragen. Waar het om gaat is dat zowel bij christenen als moslims of hindoes blijkbaar de wens en de verwachting leeft dat een hele samenleving rekening zal houden met, - nee, zich zal aanpassen aan hun verhalen, mythen en sprookjes.

Sinds Bakoenin en de negentiende eeuw is inmiddels wel gebleken dat een beroep op wetenschap, vooruitgangsgeloof en atheïstisch materialisme onvoldoende grondslag biedt om de waan van de godsdienst echt onderuit te halen. Dus, if you can’t beat them, join them.  Zou het niet slimmer zijn dan om zelf met je eigen godsdienst of kerk te beginnen en te eisen dat die iedereen die respecteert en er rekening mee houdt. En ik bedoel niet dat – zoals al sinds enkele jaren sporadisch als actiemiddel gebeurt – niet-gelovigen zich plots gaan tooien met hoofddoeken, keppels of tulbanden, die als het zo uitkomt, zowel door voor- als tegenstanders, gezien worden als ‘ostentatieve religieuze symbolen’. Nee, dan gaat het meer om initiatieven als de Church of the Flying Spaghetti Monster. De FSM, zoals de Kerk wordt afgekort, heeft eeuwenlang een verborgen bestaan gekend, maar is in 2005 echt in de openbaarheid getreden. Sindsdien telt zij wereldwijd miljoenen, zelfs duizenden devote gelovigen, de pastafarians. Een instructief filmpje staat op deze pagina.

Als ostentatief religieus symbool dragen de ware gelovigen een vergiet op het hoofd (altijd handig om de spaghetti af te gieten). Sommige verlichte staten als Oostenrijk, Arizona of Australië erkennen inmiddels de Church of the Flying Spaghetti Monster als een legitieme religieuze beweging, en staan haar leden dan ook toe hun hoofddeksel op te houden voor de pasfoto op hun rijbewijs. Dat is eens wat anders toch, dan dat miezerige gezeur over hoofddoeken hier aan de Noordzee.

Of in Marseille, zoals blijkt uit deze tekst in Le monde libertaire n° 1788 van 4 mei 2017:

« … l’époque où un con eut l’idée d’interdire un fichu sur la tête en croyant s’opposer à d’autres cons qui voulaient l’imposer. De leur affrontement est née une guerre qui ne dit pas son nom et qui n’est pas prête de se terminer, parce qu’elle se nourrit de bien autre chose qu’un morceau de chiffon. Chacun partant à l’assaut, non, plutôt chaque chef envoyant à l’assaut du camp adverse des troupes dont la réflexion se réduit à des slogans. Les cons sont en train de gagner, eux ils ont fait carrière. »

 

Syndicate content