durieux's blog

Mba-Kajere

 

Mba-Kajere, zomer 1998

 

Herculine Barbin 1

 

Ik kwam op het spoor van Herculine Barbin door een tekst in Krisis – tijdschrift voor filosofie uit 1994 (nr. 57). Hoewel, achteraf bleek dat ik Herculine Barbin – Mijn herinneringen, van een nawoord en een dossier voorzien door Michel Foucault en aangevuld met ‘Een schandaal in het klooster’ van Oscar Panizza al in 1990 had gekocht. Gewoon in de kast gezet en vergeten.

Ik kwam dus weer op het spoor van Herculine Barbin door een artikel van de Amerikaanse filosofe LaDelle McWorther, ‘Foucaults Herculine Barbin, de strategie van de verdubbelde deviantie’. Daarin betoogt McWorther dat het dossier van Foucault ‘impliciet een strategie biedt voor seksueel verzet’. Ik zocht de tekst niet omwille van die notie van ‘seksueel verzet’, maar voor de strategieën van verzet tout court.

‘Mijn herinneringen’ is het persoonlijke levensverhaal van Barbin, die in 1838 geboren wordt in een Frans provinciestadje, en van haar ouders de meisjesnaam Alexina krijgt. Zij groeit op als meisje, gaat naar een meisjesinternaat bij de nonnen, en kan na een opleiding als bijna twintigjarige aan de slag als onderwijzeres in een ander meisjesinternaat. Hoewel zij zelf schrijft dat zij een gelukkige jeugd had, merkte Barbin dat zij dons op haar wangen kreeg, dat zij zwaar behaarde benen had en geen borsten ontwikkelde, dat zij ook niet ongesteld werd. Barbin verbergt deze fysieke kenmerken voor haar (mede)leerlingen, maar tegelijk begint zij ook een hartstochtelijke fysieke en langdurige relatie met een van hen. Wanneer dit niet meer te verbergen is, en een schandaal dreigt, moet zij enkele medische onderzoeken ondergaan, waarvan de conclusie algemeen is: zij/hij is hermafrodiet. Barbin heeft zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen, die echter geen van beide volgroeid zijn. Toch besluiten de medici dat zij eigenlijk een man is. In een poging haar (verboden) liefdesrelatie verder te kunnen zetten, laat Barbin zich bij de burgerlijke stand van geslacht veranderen. Maar het schandaal in het stadje is te groot geworden en Barbin moet de wijk nemen naar Parijs. Daar schrijft hij zijn herinneringen, en hij sterft enkele jaren later van ontbering in uiterst armoedige omstandigheden.

Foucault heeft het dossier rond Herculine Barbin gepubliceerd in 1978, in het verlengde van zijn eerste deel van de geschiedenis van de seksualiteit, La volonté de savoir. Voor Foucault was Herculine-Adélaide Barbin, die overigens in verschillende documenten ook Alexina Barbin of Abel Barbin of Camille heet, een voorbeeld van de slachtoffers die de nood aan een seksuele identiteit maakt. Barbin, die een mengsel van twee geslachten in één lichaam had, moest per se óf man zijn, óf vrouw: ‘hermafrodieten zijn altijd pseudo-hermafrodieten’, is de stelling die dan prevaleert. Wat Barbin vlak vóór zijn dood oproept in zijn herinneringen, is volgens Foucault “het onbewuste geluk van de niet-identiteit, die paradoxaal genoeg beschermd werd door die kleine, warme, besloten gemeenschap waarin men het tegelijk opgelegde en verboden geluk smaakte slechts één geslacht te kennen.”

Mij ging het bij het opzoeken van Herculine Barbin dus niet om Foucault’s suggestie van het lichaam als ‘aangrijpingspunt voor verzet tegen netwerken van seksuele macht’, zoals McWorther het verwoordt, maar om haar gevolgtrekking over de strategie van de verdubbelde deviantie in het algemeen. (Daarover meer in twee teksten die binnenkort verschijnen in het Engels en het Nederlands over de mogelijkheid van verzet tegen Europees migratiebeleid.)

Toch is er deze week plots nieuws dat het dossier Herculine Barbin weer actueel maakt. Vanaf 1 november namelijk is het in Duitsland niet meer vereist om bij de aangifte bij de burgerlijke stand het vakje ‘M’ of ‘F’ aan te kruisen. Männlich, weiblich, unbestimmt kopt de Süddeutsche Zeitung: de wetgever respecteert dat er interseksuele mensen bestaan, mensen dus met niet eenduidige lichamelijke geslachtskenmerken. Wanneer het geslacht niet aangemerkt is bij de geboorteaangifte, kunnen mensen later nog kiezen welk geslacht zij erkend willen zien, of zij kunnen er de voorkeur aan geven nooit een geslacht in te vullen. De Süddeutsche Zeitung stelt vast: „Es ist nun rechtlich anerkannt, dass Menschen nicht nur männlich oder weiblich sein können.“

Voor wie Foucault serieus neemt, is de vraag nu wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling in Duitsland voor het denken over seksuele vertogen en hun functie bij de disciplinering en normalisering van lichamen en lusten. In ieder geval gaat het hier eerder om de vaststelling van niet-identiteit dan om de erkenning van wisselende of meervoudige (seksuele) identiteit. En ook, het gaat om het fysieke geslacht, niet om gender, het geslacht dat men beleeft.

 

 

Vanuit veel werelden

Zonet heb ik de inleiding en het nawoord van Vanuit veel werelden. Migrantenculturen in Nederland. in het archief geplaatst. Dat boekje maakte ik in 1984, samen met fotograaf Robert de Hartogh.

Ik vind het vertederend om te zien hoe dertig jaar geleden in Nederland de theorievorming rond de multiculturele samenleving langzaam tot stand kwam. Het was de periode waarin men schuchter begon te beseffen dat ‘andere culturen’ meer inhield dan wat de Hollander kon beleven op podia en in eethuizen. De gastarbeiders waren een deel geworden van de Nederlandse samenleving, en dus ook hun cultuur van elke dag: taal, relaties, opvoeding, geloof, familieverhoudingen, arbeidsmoraal, politiek (al dan niet in hun land van herkomst), …

Het was bijna zendelingswerk, toen, om te blijven benadrukken dat de gastarbeiders en hun nakomelingen geen exotica waren, maar dat Nederland multi-cultureel was geworden. In dat kader pasten ook de negen brochures die Robert en ik in de zelfde periode maakten voor de cursus Cross Culturele Dienstverlening van het Nederlands Centrum Buitenlanders.

In 1987 eindigde ik het laatste cursusonderdeel met dit fragment: “Het antwoord voor een (linkse) antiracismebeweging zou misschien kunnen liggen in het opzij leggen van klasseringen op basis van ras, in het zoeken naar een politiek waarin het begrip ‘etnische groep’ of ‘culturele minderheid’ geen rol meer speelt – met andere woorden: misschien kan een antiracismebeweging zich eens concentreren op de vraag: waar zijn we vóór, als we tegen racisme zijn?” In die zin zijn wij waarschijnlijk wel wat opgeschoten in die dertig jaar.

Werkwoord

 

“Ik leef nu op aarde en weet niet wat ik ben.

Ik weet dat ik geen categorie ben.

Ik ben geen ding – een zelfstandig naamwoord.

Het lijkt erop dat ik een werkwoord ben.”

R. Buckminster Fuller

 

Gezinshereniging

De Nederlandse Kinderombudsman is een onderdeel van het Bureau Nationale ombudsman. De Kinderombudsman is een ambt, dat sinds 2011 wordt toegekend door de Tweede Kamer. Hij (nu Marc Dullaert) controleert of de overheid de kinderrechten in Nederland naleeft. Hij doet dit ook bij private organisaties in het onderwijs, de kinderopvang, de jeugdzorg en de gezondheidszorg. In 1989 zijn de kinderrechten door de Verenigde Naties (VN) vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag.

In juni hebben de diensten van de Kinderombudsman een 123 pagina’s lang, vernietigend rapport gepubliceerd over de Nederlandse praktijken rond de gezinshereniging van kinderen met hun naar Nederland gevluchte ouders: Gezinshereniging – beleid en uitvoering 2008-2013. De aanleiding voor het onderzoek was de vaststelling dat het aantal afwijzingen sterk is gestegen: van 12 procent in 2008 naar 83 procent in 2011.

De Kinderombudsman is niet over één nacht ijs gegaan. Het onderzoek nam elf maanden in beslag, er werden 459 dossiers onderzocht, waarin 1672 kinderen een aanvraag hebben ingediend om bij hun naar Nederland gevluchte ouders te mogen komen wonen. Verder zijn talloze interviews verricht, en heeft men op de ambassades in Nairobi en Addis Abeba onder meer een aantal gehoren van kinderen geobserveerd.

De conclusies zijn niet mis: “De Kinderombudsman stelt op basis van dit onderzoek vast dat sinds 2008 de rechten van kinderen die zich willen herenigen met een naar Nederland gevluchte (pleeg)ouder in ernstige mate door de Nederlandse overheid zijn geschonden. Een steeds strenger wordend beleid, waarin allerlei niet te rechtvaardigen vereisten werden gesteld aan gezinnen om in aanmerking te komen voor hereniging, in combinatie met een onzorgvuldige werkwijze van de IND, heeft er toe geleid dat er inbreuk is gemaakt op het recht van kinderen om zich te herenigen met hun ouder.” (De IND is de Immigratie- en Naturalisatiedienst, te vergelijken met de Belgische Dienst Vreemdelingenzaken, DVZ.)

“Het Verdrag voor de Rechten van het Kind schrijft voor dat een kind het recht heeft om op te groeien bij de ouders, tenzij dit niet in het belang van het kind is. De Nederlandse overheid heeft onder dit verdrag de verplichting om aanvragen tot gezinshereniging met spoed, menselijkheid en welwillendheid te behandelen. De Kinderombudsman constateert dat aan geen van deze verplichtingen is voldaan. In de verschillende stadia van de gezinsherenigingsprocedure zitten dermate ernstige tekortkomingen dat de kinderen die sinds 2008 een aanvraag indienden geen volwaardige kans hebben gekregen om gebruik te maken van dit recht op gezinshereniging. Het risico is daarmee groot dat er grote aantallen kinderen onterecht gescheiden zijn gebleven van hun ouder. Dit acht de Kinderombudsman onaanvaardbaar.”

En ook: “De Kinderombudsman ziet dat door de sterke focus op de bestrijding van fraude en oneigenlijk gebruik van de nareisprocedure, het belang van het kind, zowel in het beleid als de uitvoering, geheel uit het oog is verloren. Daardoor is de procedure dermate onzorgvuldig geworden dat niet meer volgehouden kan worden dat de hoge afwijzingspercentages de eerder ontstane vermoedens van fraude bevestigen. Een beleid waarin aandacht is voor fraude- en misbruikbestrijding mag niet leiden tot een dermate grote inperking van fundamentele rechten, zoals het recht van het kind om op te groeien bij de ouders. Doordat de procedure, met het oog op fraudebestrijding, volgens de IND "steeds uitgebreider en intensiever" is geworden, zijn in de afgelopen jaren aanvragen van kinderen mogelijk onterecht afgewezen, omdat hun aanvraag op onzorgvuldige wijze behandeld is.”

Dan volgen details over de wijze waarop kinderen op de ambassades worden gehoord over de waarachtigheid van hun aanvraag om hun ouders te mogen nareizen naar Nederland. Er is overigens geen rechtsbijstand tijdens die gehoren, en de kinderen mogen het verslag niet nalezen. Dit zijn nog maar enkele van de praktische bezwaren die de onderzoekers aankaarten. Waar het vooral op neer komt, is: “Uit het dossieronderzoek blijkt dat het overgrote deel van de kinderen wordt afgewezen, omdat zij en hun ouder volgens de IND tijdens de gehoren niet aannemelijk hebben kunnen maken dat (zij) samen een gezin hebben gevormd tot aan het vertrek van de vluchtende ouder. In de verklaringen die de gezinsleden hebben afgelegd zijn volgens de IND te veel tegenstrijdigheden gevonden. In de praktijk, zo blijkt, kunnen enkele tegenstrijdigheden, die betrekking hebben op details, voor de IND al aanleiding vormen om de aanvraag af te wijzen. [-] De Kinderombudsman is van mening dat het grote belang dat bij de beslissing wordt gehecht aan de verklaringen over details, niet in verhouding staat tot de mate van zorgvuldigheid waarmee de gezinsband wordt onderzocht.”

In die zin lijkt er weinig verschil tussen de praktijken van de Nederlandse IND en die van de Belgische DVZ (en trouwens ook van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen). Uit mijn ervaring blijkt dat ook de Belgische instanties bij het beoordelen van een asiel- of gezinsherenigingsaanvraag deze meteen proberen af te wijzen door in eerste instantie tegenstrijdigheden in het verzoek te ontdekken of te construeren. Ook hier is de opdracht: probeer de aanvragers te betrappen op onnauwkeurigheden, zodat wij de aanvraag als bedrieglijk kunnen wegzetten.

De Kinderombudsman koppelt aan het onderzoek nog een aanbeveling: “De afgelopen jaren is de Nederlandse overheid op onzorgvuldige wijze omgesprongen met kinderen die naar een gevluchte ouder in Nederland wilden komen. De IND is bij de beoordeling van hun aanvraag te veel gericht op het voorkomen van fraude en is het belang van het kind daarbij uit het oog verloren. Het steeds aangescherpte beleid heeft geleid tot een onaanvaardbaar hoog risico dat de 3910 kinderen die sinds 2008 een aanvraag voor gezinshereniging hebben ingediend, en zijn afgewezen, mogelijk onterecht gescheiden zijn gebleven van hun ouder. Hun recht om zich te herenigen met hun ouder wordt op die manier met voeten getreden.

Volgens de Kinderombudsman kan dat maar één ding betekenen: de kinderen die sinds 2008 een aanvraag voor gezinshereniging hebben ingediend en door de IND zijn afgewezen, moeten een eerlijke kans krijgen. Zij (of hun ouders namens hen) moeten een nieuwe aanvraag kunnen indienen, die vervolgens aan een verbeterd wets- en beleidskader getoetst zal worden én met een verbeterde uitvoering beoordeeld.

De Kinderombudsman doet de dringende aanbeveling om het falende beleid van de afgelopen jaren te herstellen en de kinderen die hierdoor mogelijk onterecht gescheiden zijn gebleven van hun ouders alsnog de kans te geven zich te herenigen.”

 

Mal français of langue unique ?

 

Mal français of langue unique ?

Onder de kop ‘Le mal français’ mag Luckas Vander Taelen in De Standaard nog eens van leer trekken tegen Franstaligen. Deze keer zijn het de Fransen die het moeten ontgelden: “Nog steeds leven veel Franse intellectuelen in een zelfingenomen microkosmos. Het lijkt hen volledig te ontgaan dat de wereld niet meer naar hen luistert en dat de invloed van de Franse cultuur de enge francofonie niet overstijgt, ook al omdat het Engels het Frans als wereldtaal compleet heeft verdrongen. [-] De wereld verandert, maar een groot deel van de Fransen wil vooral dat alles weer wordt zoals vroeger.”

Vander Taelen schrijft het met nogal wat dédain, maar inderdaad, er is in Frankrijk enig ongemak over de omgang met de ‘nieuwe’ wereldtaal. Sinds enige maanden is een van de belangrijke terreinen waarop de discussie zich afspeelt dat van het hoger onderwijs (net zoals dat het geval is trouwens in België en Nederland). Sinds 1994 is bij wet vastgesteld dat de taal van onderwijs en examens, thesissen en proefschriften in de openbare en private onderwijsinstellingen het Frans is. De minister van Onderzoek en Hoger Onderwijs wil nu dat aan de universiteiten voortaan in het Engels gedoceerd wordt, met name om studenten uit opkomende landen als Korea, India of Brazilië niet te ontmoedigen om in Frankrijk te komen studeren. (Studenten uit de talrijke Franstalige Afrikaanse staten zijn blijkbaar minder aantrekkelijk.) Om even haar standpunt te illustreren, zei de minister nog: “Si nous n’autorisons pas les cours en anglais, nous nous retrouverons à cinq à discuter de Proust autour d’une table.” Nee, dan liever nog wat Angelsaksische managementmeuk.

Maar goed, het verzet tegen het ‘luchthavenengels’ (merci, Serge Halimi) als langue unique is ook niet altijd even overtuigend. Vaak wordt ietwat retorisch de vraag gesteld: zouden onze studenten dan, wanneer zij ons verlaten, geen woordenboek meer hoeven? Is meertaligheid niet juist een troef, zelfs als je daar een woordenboek bij nodig hebt? Is het niet juist in de uitwisseling tussen talen, dat men er toe komt de wereld in haar diversiteit te denken?

Dat laatste lijkt mij wel, ja; alleen, het argument klinkt niet echt overtuigend uit de mond van een Fransman/vrouw. Mijn internationale onderwijs- en onderzoekservaring van de afgelopen vijfentwintig jaar leert toch dat, wanneer Franstaligen zich wagen aan een voor hen tweede taal, dat meestal een soort frenglish is, en zelfs niet een andere Latijnse taal. Anderzijds leert de jarenlange ervaring met Erasmus-projecten mij ook dat studenten van niet-Engelsprekende afkomst zich vaak kunnen vinden in een soort common session english, terwijl juist de Engelstaligen in het idioom waarin zij volledig thuis zijn over de hoofden van de anderen heen praten.

Klakkeloos toegeven aan de dominantie van een soort Amerikaans lijkt mij onzinnig; zich opsluiten in de exclusiviteit van de ‘eigen’ taal al evenzeer. Maar hoe organiseer je praktijken van meertaligheid?

 

Hugo De Ridder

Humo publiceert deze week (23 juli 2013) een gesprek met Hugo De Ridder. Die wordt (wie had het kunnen vermoeden?) geïntroduceerd als ‘dé éminence grise van de politieke journalistiek in België’.

Ja hoor, de man (nu 81 jaar) was jarenlang de politiek commentator van De Standaard. Dat was in de tijd dat die krant nog trots op de voorpagina het letterkruis droeg met de letters AVV VVK (Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen Voor Kristus). Dat motto is exact wat De Ridder steeds uitdroeg in zijn commentaren: de denkbeelden van de flamingante vleugel van de christendemocratische CVP, en dan vooral vanuit het oogpunt van de ondernemers en de middenstand. In die zin is de man in al die jaren weinig veranderd, en verbaast het niet dat hij laat optekenen over de regering-Di Rupo: “Ze heeft al één en ander om trots op te zijn. Het aantal ambtenaren wordt verminderd, de werkloosheidsuitkeringen worden beperkt, de pensioenen hervormd: maatregelen die enkele jaren geleden ondenkbaar waren.”

Het is het inmiddels klassieke neoliberale praatje van de ondernemers en de bedrijfsleiders en hun politieke handpoppen. Ambtenaren – civil servants – zijn er om de samenleving te dienen, en produceren dus geen groei of winst: weg ermee! Mensen zonder baan zijn parasieten: die moeten maar met minder dan die duizend euro per maand rondkomen. En wij, de productieven, gaan toch geen pensioen betalen voor die stumperds die geen riante tweede of derde pijler hebben opgebouwd; laat ze werken voor de kost. Di Rupo – De Ridder: een mooi stel.

Maar even later zegt hij dan toch iets om over na te denken. In de parafrase van Humo: “Kris Peeters kan de strijd tegen Bart De Wever in de provincie Antwerpen zeker winnen bij de verkiezingen in 2014.” Een interessant vooruitzicht voor die van Antwerpen. Het doet een beetje denken – alle verhoudingen in acht genomen - aan de Franse presidentsverkiezingen van 2002, toen Jacques Chirac in de laatste ronde uitkwam tegen Jean-Marie Le Pen en iedereen noodgedwongen op Chirac moest stemmen om de fascisten uit het Elysée te houden. Chirac werd opnieuw president met zo’n tachtig procent van de stemmen.

En iets dichterbij waren er natuurlijk de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 in Antwerpen, toen het er ernstig op leek dat Filip De Winter en Vlaams Belang de grootste partij van de stad zouden kunnen worden. Uit pure noodzaak werd toen massaal op Patrick Janssens gestemd, die daarop weer zes jaar lang zonder noemenswaardige tegenstand de gemeentepolitiek kon herleiden tot een vorm van city marketing waarvoor de bewoners de prijs betalen.

Als Kris Peeters werkelijk de pion is om Bart De Wever tegen te houden, dan staan ze er mooi voor, daar in Antwerpen.

Links-liberalisme?

 

In het eerste gedeelte van het boek schetst de auteur de historisch-filosofische achtergrond van het ideeëngoed dat hij resoluut links-liberalisme noemt (en niet sociaal liberalisme, of links liberalisme). In het tweede gedeelte beschrijft hij hoe en waar dat gedachtegoed terug te vinden is in de hedendaagse West-Europese politiek, …

Enerzijds is het maar de vraag of politieke partijen hun ideologie baseren op rechtvaardigheidstheorieën, die volgens de auteur wel de grond vormen van het huidige links-liberalisme. Anderzijds kan je je ook afvragen of iemand die het links-liberalisme als politieke leidraad neemt, dat vandaag nog zou willen realiseren via de bestaande politieke partijen (de logica van politieke representatie).”

Een fragment uit de bespreking van

Herman Lauwers, Links-liberalisme. Niemand is burger zonder land. Kalmthout, Pelckmans, in Oikos nr. 64, 2013/1, 76-78.

De volledige tekst vind je hier.

 

Onterecht gejuich over daling medische regularisaties

 

De hoerastemming bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) is totaal ongepast (‘Nooit zo weinig sans-papiers geregulariseerd’ – de Standaard 9-10 maart 2013). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RVV) vernietigt immers al sinds november vorig jaar negatieve beslissingen van DVZ. De Dienst heeft in twee zaken cassatieberoep ingediend bij de Raad van State, en op die uitspraken wacht men nu. Kortom, het aantal medische regularisaties door de Dienst Vreemdelingenzaken mag dan wel dalen, daarbij worden wel elementaire rechtsregels overtreden, en dat wordt systematisch afgestraft door de rechter.

Het gaat hier om een vrij technische juridische materie, maar het loont de moeite om het verhaal te volgen. Dan blijkt immers dat de Belgische overheid onder het mom van fraudebestrijding alles uit de kast haalt om de meest kwetsbaren in onze samenleving zo snel mogelijk het land uit te werken. Artikel 9ter van de Verblijfswet (of Vreemdelingenwet; de wet van 15 december 1980) stelt dat een vreemdeling die in België verblijft, en zijn identiteit kan bewijzen, een machtiging tot verblijf kan aanvragen indien hij lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of zijn fysieke integriteit, of die een reëel risico inhoudt op onmenselijke of vernederende behandeling wanneer hij teruggestuurd zou worden naar zijn land van herkomst en er daar geen adequate behandeling voorhanden is. Dit is de zogenaamde medische regularisatie, en de laatste formulering verwijst direct naar het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens.

Wat doet DVZ nu? Wanneer in hun ogen de ziekte niet “direct levensbedreigend” is, is er niets aan de hand, en kan de aanvrager volgens de dienst gewoon uitgezet worden. Maar “direct levensbedreigend” is niet hetzelfde als een “reëel risico”. Het criterium van de Dienst Vreemdelingenzaken is veel strenger dan de formulering van de wet. In een van de vernietigde beslissingen schreef de arts van DVZ: “Uit het medisch dossier blijkt (…) geen directe bedreiging voor het leven van de betrokkene; de gezondheidstoestand is niet kritiek.” Directe bedreiging voor het leven is echter niet waar het om gaat.

Het meest herkenbare voorbeeld is wellicht hiv-infectie. Iemand die hiv-besmet is, maar (nog) niet aan full blown aids lijdt, is niet direct levensbedreigend ziek. Dat neemt niet weg dat die persoon aids kan ontwikkelen, indien hij niet verzorgd wordt. En daarbij kan het niet volstaan dat hiv-medicijnen of aidsremmers in het land van herkomst beschikbaar zijn; de patiënt moet er ook toegang toe hebben. En daar knelt vaak het schoentje. Medische voorzieningen die tegen betaling beschikbaar zijn in het academisch ziekenhuis in de hoofdstad zijn daarom nog niet toegankelijk voor de mensen die naar dat land teruggestuurd worden. Kortom, het standpunt van de RVV is niet alleen dat het criterium van directe levensbedreiging te streng is, maar ook dat DVZ grondig zou moeten onderzoeken of de vreemdeling in het herkomstland werkelijk toegang heeft tot de nodige medische voorzieningen.

In dat opzicht is het ironisch dat Maggie De Block, de staatssecretaris die uiteindelijk de voogdij heeft over de Dienst Vreemdelingenzaken, rond het vraagstuk van de dringende medische hulp in februari de Antwerpse OCMW-voorzitter Liesbeth Homans terugfloot. Deze had namelijk besloten dat haar OCMW voortaan niet meer de ‘aidsremmers’ zou betalen voor een aantal hiv-besmette mensen zonder wettig verblijf. ‘Als we aidsremmers weigeren, gaat het om personen waarbij de Dienst Vreemdelingenzaken heeft geoordeeld dat hun hiv-infectie geen reden is voor regularisatie. Ze kunnen dus ook in het land van herkomst aan de medicatie raken. Daarom stellen we nu voor dat alleen de illegalen die zich verplichten om vrijwillig terug te keren naar hun land, in de tussentijd de dringende medische hulp krijgen. In hun thuisland kunnen ze dan verder de therapie met aidsremmers volgen’, verklaarde zij in de krant. De Block verzette zich tegen de eis van verplichte terugkeer in ruil voor het verstrekken van medicijnen. Dat zou inhumaan beleid zijn, volgens haar woordvoerster.

Nu, indien de Dienst Vreemdelingenzaken terecht de medische regularisatie heeft geweigerd, omdat er geen reëel risico is en de juiste medicijnen beschikbaar zijn in het land van herkomst, waarom zou de staatssecretaris het dan inhumaan vinden om deze mensen in Antwerpen geen geneesmiddelen te verstrekken? Als Homans gelijk heeft dat het gaat om mensen die niet in aanmerking komen voor toepassing van artikel 9ter, dan heeft de staatssecretaris er dus blijkbaar geen vertrouwen in dat haar Dienst Vreemdelingenzaken de medische regularisatie terecht weigerde. Of moest Maggie De Block Liesbeth Homans wel terechtwijzen omdat het standpunt van het OCMW niet conform is met de OCMW-wet? Of omdat zij wel het principe vooropstelt dat dringende medische hulp ook voor iedereen die hier onwettige verblijft beschikbaar moet zijn (zelfs als zij geen regularisatieprocedure starten)? Of ging het er gewoon om Homans dwars te zitten?

Voor onze ogen speelt zich een fascinerend juridisch en tactisch steekspel af, maar wel over de rug van zieke mensen, die mogelijk nergens anders terecht kunnen.

 

Een ingekorte versie van deze tekst verscheen eerder op http://www.mo.be/opinie/onterecht-gejuich-over-daling-regularisaties.

 

Frontaal Naakt

 

Een mooi blog, Levantijnse berichten, van ene Johanna Nouri, waar ik al een tijd naar verwees op mijn pagina links, leek gestopt te zijn.

Maar afgelopen zondag was er toch een nieuw bericht: ¡No pasarán!. Het gaat over het stopzetten van een ander blog, dat ik onregelmatig las: Frontaal Naakt. Ik volg de discussies in de Nederlandse media niet meer zo, maar Frontaal Naakt bekeek ik wel regelmatig (net als Republiek Allochtonië overigens) om wat ideeën op te doen in de discussies over multiculti, integratie, kutmarokkaantjes, en dat soort verwar(ren)de onderwerpen.

Frontaal Naakt is niet meer, en Johanna Nouri schrijft daarover dit:

“Het appelleert aan strijdlust die ik nagenoeg verloren was. Het kan toch niet zo zijn dat we ons de mond laten snoeren door lieden die leven bij de persoonlijke aanval, bij vreemdelingenhaat en islamofobie? Bij lieden die er de meest obscure rassentheorieën op nahouden? Die mensen niet langer als mens, maar slechts als representant van een vermeende ideologie zien? Die de vrijheid van het individu, waarover Asscher het onlangs had, kennelijk niet zien weggelegd voor iedereen die anders denkt dan zij?

Er woedt een gure wind in de blogosfeer. De vraag is hoe we daar wat aan kunnen doen zonder het risico te lopen om vermalen te worden, zonder met persoonlijke aanvallen kapotgemaakt te worden.”

De afscheidstekst is onthutsend. Lees het hele artikel en betuig je steun aan Frontaal Naakt, zou ik willen suggereren.

 

Syndicate content